Dr. G. van den Brink: Evolutietheorie sluit geloof niet uit

Dr. G. van den Brink: Evolutietheorie sluit geloof niet uit
Dr. G. van den Brink is hoogleraar Theologie en Wetenschap aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Jarenlang heeft hij nagedacht over de vraag of de gangbare evolutietheorie kan samengaan met het christelijk geloof, schrijft ds. J.A.W. Verhoeven.

De vrucht daarvan is neergelegd in een wetenschappelijke studie onder de titel En de aarde bracht voort... De opzet van dit boek is glashelder. Methodisch kiest de auteur ervoor om de evolutietheorie voorop te stellen, en vervolgens te bekijken hoe daarop gereageerd zou moeten worden vanuit de Bijbel. Dat vooropstellen van de evolutietheorie gebeurt op een hypothetische manier: stel dat de evolutietheorie waar zou zijn, wat betekent dat dan voor orthodoxe theologie?

Drie lagen

Gaandeweg blijkt natuurlijk wel dat Van den Brink persoonlijk overtuigd is geraakt van het goed recht van de evolutietheorie. Bij de evolutietheorie gaat het om de zogenoemde ‘neodarwinistische synthese’. Die bestaat uit drie lagen. Allereerst de gedachte dat de levensvormen op aarde gedurende vele miljoenen (zelfs miljarden) jaren zijn ontstaan. Vervolgens de gemeenschappelijke afstamming. Dat betekent: de soorten (ook de mens) zijn uiteindelijk ontstaan vanuit enkele oervormen van leven. En ten derde: dat ontstaan is geschied door middel van toevallige mutaties. Van den Brink zet uiteen dat het weinig zin heeft om slechts een van deze drie aspecten te aanvaarden. Als je eenmaal de eerste ‘laag’ in je theologische denken toelaat, zul je ook een houding moeten bepalen ten opzichte van de laatste twee.

Anderen zullen wel de vraag opwerpen of Van den Brink de evolutietheorie correct weergeeft, en of die wetenschappelijk sterk staat. Ik kan dat niet beoordelen, ik ga daar vooralsnog van uit. Maar de vergelijking met Galileï en de reactie van Voetius daarop vind ik niet helpend. De theorie van Darwin is niet op dezelfde manier bewezen als die van Galileï, en dat zal uit de aard van de zaak ook nooit kunnen.

Evolutie en orthodox geloof

Elk van de drie ‘lagen’ in de evolutietheorie brengt twee clusters van theologische vragen met zich mee. Hier ligt de eigenlijke kern van dit boek.

1. Als we deep time (de kosmos ontstond miljarden jaren geleden) aanvaarden, wat betekent dat dan voor onze manier van bijbellezen (hoofdstuk 4) en hoe duiden we het evolutionaire lijden vóór de zondeval (hoofdstuk 5)?

2. Als we de gemeenschappelijke afstamming aanvaarden, wat betekent dat voor de theologische kijk op de mens (hoofdstuk 6) en voor de leer van het verbond, de zondeval, de (erf)zonde en uiteindelijk ook voor het werk van Christus als de tweede Adam (hoofdstuk 7)?

3. Als we de natuurlijke selectie aanvaarden, welke gevolgen heeft dat dan voor de leer van de voorzienigheid. Regeert niet het toeval (hoofdstuk 8)? En betekent dat niet dat moraal en zelfs geloof in God uiteindelijk voortbrengselen zijn van een blind proces? (hoofdstuk 9)

In hoofdstuk 10 vat de auteur zijn boek samen op een manier die niemand hem kan verbeteren. De lezer zou deze bladzijden als eerste kunnen lezen (325-334). Aan het einde van zijn boek zegt Van den Brink dat doordenking van de verhouding tussen wetenschap en theologie wél nodig is op het thema schepping (protologie) – vandaar dit boek –, maar niet nodig is op andere dogmatische thema’s. Hij gaat dus geen soortgelijk boek schrijven over bijvoorbeeld de eschatologie. Dat bevreemdt mij enigszins.

Schriftleer

Bij de Schriftleer doet Van den Brink de aanbeveling om de Bijbel perspectivisch te lezen. De Bijbel is niet geschreven om ons wetenschappelijke informatie te geven, maar richt zich op zingeving. We moeten zoeken naar de theologische strekking en betekenis van de Bijbel. Die kan nooit in tegenspraak komen met wetenschappelijk onderzoek, omdat God de Auteur is van het boek der schepping (Art.2 NGB) en van de Bijbel (Art.3-7 NGB). De Bijbel zegt alleen maar dat God de wereld schiep, maar niet hoe Hij dat deed. Tegelijk wil Van den Brink wél vasthouden dat de Bijbel getuigenis aflegt van de geschiedenis van Gods handelen.

Ik vind het niet helpend voor het verdere gesprek dat Van den Brink zich keert tegen mensen die de Bijbel ‘letterlijk’ lezen. Tegenover letterlijk staat figuurlijk of geestelijk. Maar dit is veel te grof gereedschap. Het helpt niet om te zeggen dat Augustinus Genesis 1-3 niet letterlijk las. Wie doet dat wel? Het is duidelijk dat Genesis 1 met opzet gestructureerd is. En dat Genesis 2-3 Gods scheppingsdaden vanuit een ander perspectief belicht dan Genesis 1. Het betreft niet exacte historische beschrijving, zoals wij die tegenwoordig eisen van een historicus. Tegelijk getuigen de Schriften van Gods daden aan de wereld en in de geschiedenis. Wij lezen de Bijbel als woorden van God. We zullen verder moeten spreken over de eigen aard van de bijbelse geschiedschrijving. Dat kan overigens niet beperkt worden tot Genesis 1-3. Hoe dient het gehéél van het boek Genesis zich aan?

Gods goedheid en het lijden

Als de aarde reeds miljarden jaren bestond voor de zondeval, bestond er dus toen al lijden en (uit)sterven. Van den Brink noemt dat ‘natuurlijk’ of ‘evolutionair’ lijden bij de dieren. Hoe verhoudt zich dat tot Gods goedheid? Van den Brink betoogt dat de Bijbel geen kosmische zondeval leert. De biologische dood van dieren is onderdeel van Gods goede schepping, en niet het gevolg van de zondeval van de mens. Toch wil Van den Brink niet mee in de gedachte dat God het kwaad als het ware heeft ingebakken in de schepping (tegen Van de Beek), maar hij scheert daar wel langs heen. Het gevolg van Van den Brinks positiekeuze is dat hij allerlei teksten uit het Nieuwe Testament (bijvoorbeeld Rom.8:18-27 en 1 Kor.15:42-49) betrekt op het lijden van voor de zondeval. Dat lijkt mij exegetisch nauwelijks mogelijk. Wellicht is dat de prijs voor de methodische aanpak. In het algemeen komen er nauwelijks passages over bijbels-theologische kwesties voor in dit boek. Het is een godsdienstfilosofische studie met een hoog abstractieniveau.

De mens

De mens is geschapen naar Gods beeld. Tegelijk komt hij voort uit het dierenrijk. Hoe laat zich dat verenigen? Van den Brink bepleit het beeld Gods niet biologisch of ontologisch (wat betreft het zijn van de dingen, red.) in te kleuren, maar uitsluitend theologisch, functioneel en relationeel. Of die waterscheiding stand houdt, weet ik niet. Ik zou op dit punt Efeze 4 en Kolossenzen 3 meer gewicht willen geven. Maar ik begrijp wel dat Van den Brink het verschil tussen apen en mensen liever niet op biologisch niveau wil duiden. Zijn stelling is dat de manier waarop de mens is geëvolueerd uit hominiden (mensachtigen, red.) nog niets zegt over het wezen van de mens. Het unieke van de mens is dat hij is aangesproken door God. Zowel de evolutietheorie als de Bijbel beschrijven de mens als ‘het wonderlijke hoogtepunt van de schepping tot dusver’(204). Dat de Bijbel dat zegt, geloof ik wel. Maar de evolutietheorie? Misschien zijn we pas halverwege? Als dat zo zou zijn, wat zegt dat over de menswording van Christus?

Zonde, zondeval en verlossing

Dan komt het belangrijkste hoofdstuk: over Adam en zijn val, erfzonde en verlossing. Homo sapiens (de huidige mens) is een laatkomer in de evolutie. Hij ontstond zo’n 200.000 jaar geleden uit groepen hominiden. Adam staat niet aan het begin van een soortvormingsgeschiedenis. Tegelijk: ‘De Bijbel is de gezaghebbende weergave van de concreet-historische weg die God met de mens gaat van schepping via val maar verlossing en voltooiing’ (214). Hoe gaat dat samen? Ongeveer 45.000 jaar geleden staan Adam en Eva aan het begin van een culturele big bang. Toen ontstond artistiek en religieus bewustzijn. God heeft Adam toen aangesproken. Hij is geroepen uit vele tienduizenden, analoog aan de wijze waarop Abraham geroepen is. Adam is geroepen om mens te zijn, beelddrager Gods, homo divinus (237). Adam was een historische persoon, één uit de vele groepen mensen. Adam is dus niet een chifre (aanduiding) voor ‘mens’. Adam is een eigennaam. Adam en Eva ‘…staan model voor ons allen, of we nu van hen afstammen of van hun tijdgenoten’ (226). Mijn vraag is wel hoe Adam hoofd van de gehele mensheid kan zijn, als hij voortkomt uit slechts één groep.

Verkeerde afslag

Zonde is: de mens reageert afwijzend op God Die hem aanspreekt. Hij kiest ervoor om zijn dierlijke neigingen te volgen, en daarmee kiest hij de verkeerde afslag. Hij kiest voor autonomie.

Van den Brink staat dus een historische zondeval voor. Maar er blijven talloze vragen. Kan de zonde in termen van terugval worden getypeerd? Hoe zit het met de biologische dood van de mens? Als de mens is voortgekomen uit het rijk van de dieren, wat is dan het verschil tussen de biologische dood van een dier (vóór de zondeval) en de biologische dood van de mens? Ontkomt Van den Brink aan de gedachte dat de biologische dood van de mens ‘normaal’ is? Zijn antwoord is: de mens is sterfelijk geschapen, maar de straf op de zonde betekent dat hij móét sterven (242-245).

Van den Brink stelt dat Christus als de tweede Adam de gelovigen niet alleen verlost van de gevolgen van de zondeval, maar ook van de gevolgen van het evolutionair lijden. Als dat waar zou zijn, zou Christus dus ook geleden hebben aan het kruis als er nooit een zondeval had plaatsgevonden. Overigens ben ik het wel met de schrijver eens dat Christus’ opstanding het eerste begin is van een vernieuwde schepping, die hoger is dan de eerste.

Gods voorzienigheid

Als de soorten door een blind proces zijn ontstaan, blijft er dan nog wel ruimte voor Gods soevereine leiding? Als het heelal intrinsiek doelloos is, vervalt elke grond voor religie. Is de mens dan niet een onbedoeld resultaat, een schitterend ongeluk? Hier neemt Van den Brink zijn toevlucht tot een onderscheid tussen fysiek/biologisch toeval en metafysisch toeval. Bovendien kan God via de concursus het evolutieproces begeleid hebben: God is de eerste oorzaak van alle dingen, maar daarbinnen blijft ruimte voor wat wij ‘toeval’ zouden noemen. Van den Brink verwerpt in het slothoofdstuk de gedachte dat religie voortkomt uit een culturele evolutie.

Kritische vragen

Van den Brink schreef een pittige studie. Hij heeft ongelooflijk veel literatuur gelezen, gewogen en verwerkt. Het bovenstaande geeft slecht een eerste indruk. Maar die volstaat wel om te concluderen dat het hier over de laatste fundamenten van het christelijk geloof gaat. In de kern stelt dit boek ons voor de vraag: wie is God? Kunnen wij Hem kennen en eren? Waaruit kennen wij Hem? Is het voorstelbaar dat de Vader van Jezus Christus zich heeft bediend van evolutie? Hoe wetenschappelijk de toon ook is, hier wordt de diepste existentie van iedere gelovige lezer geraakt. Uiteraard staat de schrijver ook zelf in dit geding. Van den Brink benoemt eerlijk zijn beweegredenen. Voor hem is de Bijbel de enige gezaghebbende bron voor het geloof. Maar geloof moet zich wel verhouden tot en verstaan met de wetenschappelijke zoektocht naar waarheid. Als de gereformeerde theologie zich niet verbindt met de ons omringende wereld, ontstaat relevantieverlies. Van den Brink wil voorkomen dat christelijke studenten en wetenschappers een boedelscheiding gaan ervaren tussen de zondag en de week. Dit is een aangelegen punt. We moeten waken tegen dopers gedachtengoed. Ook missionair zit hier een punt: mogen wij van gelovigen vragen dat zij hun verstand inleveren bij de deur van de kerk? Ook wie met Van den Brink van mening verschilt, heeft hier huiswerk.

Theologisch debat

Verder spreekt het vanzelf dat de integriteit van Van den Brink niet in het geding is. Dit boek zal aanzet zijn voor veel theologisch debat in de komende periode. Daarbij is niet scherpzinnigheid de doorslaggevende factor. We hebben als kerk vooral profetische wijsheid nodig om in deze laatste dagen de geesten te beproeven. Van den Brink verbindt de wetenschap aan Art.2 van de NGB, maar ik zie veeleer een verzwagering tussen wetenschap en Verlichting. Dat maakt mij a priori wat terughoudend om bijbeluitleg zó direct te verbinden met wetenschappelijke uitkomsten. Dat geldt wat mij betreft evenzeer voor de neo-creationisten. Het geloof spreekt een eigen taal, zingt een lied: Heere, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam over heel de aarde!

J.A.W. Verhoeven

« Terug naar de lijst