Dochter A.A. van de Loosdrecht: Moord was deel Gods plan

Geplaatst op 19-08-2013
De GZB zond in 1913 zendeling A.A. van de Loosdrecht uit naar het Indonesische gebied Toraja. Vier jaar later vond hij op gewelddadige wijze de dood. Toch was dat niet zinloos, aldus zijn dochter, A.A. Muller-van de Loosdrecht.

Vanuit Vancouver deed mevrouw Muller-van de Loosdrecht in 1989 haar geboorteland Indonesië aan. In de kerk te Rantepao hield ze een toespraak waarin ze vertelde over haar ouders.

‘Misschien hebt u al gehoord dat ik de jongste dochter ben van zendeling Anthonie Aris van de Loosdrecht, geboren in Palopo ongeveer zes maanden nadat mijn vader in Bori overleden was. Ik ben naar hem genoemd: Anthonia Arisa van de Loosdrecht. Twaalf jaar geleden zijn mijn man en ik ook hier geweest om de jongere generatie van Toraja's te ontmoeten en om het land te zien waar mijn vader en moeder, nu meer dan zeventig jaar geleden, als zendelingen gewerkt hebben.

Wij zijn heel verheugd over de veranderingen en vooruitgang in de christelijke Torajakerk, die tot zoveel bloeiende gemeenten is uitgegroeid. Vooral is het reden tot dankbaarheid dat zoveel jonge mensen enthousiaste leden van de kerk zijn.
Mijn vader en moeder (de laatste overleed in 1953, red.) zouden bijzonder blij en dankbaar zijn geweest met de bloei van de kerk. Het mosterdzaad dat zij zaaiden is tot een grote boom uitgegroeid.
Ik stond kortgeleden weer bij het graf van mijn vader. Op de steen staat (het is bijna niet meer te lezen): ‘Hier rust tot den dag der opstanding onze onvergetelijke vriend Anthonie Aris van de Loosdrecht, in leven Zendeling Leeraar te Rantepao, Geboren 21 Maart 1885, Overleden 26 Juli 1917.' Daaronder staat een veelzeggende tekst: ‘Zijt getrouw tot den dood en ik zal U geven de kroon des levens. Openbaring 2:10.' 
‘Wees getrouw', dat is vaak heel moeilijk. Christen zijn in het dagelijks leven gaat dikwijls niet gemakkelijk. Zo vaak begrijpen wij niet waarom wij verdriet, moeilijkheden en teleurstellingen te dragen krijgen. Daarom wil ik u iets vertellen over mijn moeder.
Zij heeft in haar jonge leven veel verdriet gehad. Zij was nog geen 29 jaar toen zij al binnen drie jaar haar moeder, van wie zij erg veel van hield, had verloren, terwijl zij ver van huis was. Toen verloor zij haar man op een vreselijke manier en even later haar vader, vlak na mijn geboorte.
Ten slotte, toen zij in Solo op Java werkte als directrice van het Zendings Hospitaal, moest zij haar enige zoontje aan God afstaan. Dat was een harde klap en zij was helemaal verslagen. Zij was sprakeloos, ontroostbaar en geschokt in haar geloof. Zoveel verdriet te moeten dragen, dat was te veel. Had God haar verlaten? Zij begreep niet waarom. Zij had toch haar best gedaan als een christen te leven, had geprobeerd een goede zendeling te zijn en had niemand kwaad gedaan. Altijd was zij bereid geweest mensen in moeilijkheden te helpen. Zij sprak nooit onvriendelijk over andere mensen. Waarom gaf God haar zo een zwaar kruis te dragen, alleen, zo ver van familie en vaderland?

Op een vroege zondagmorgen, na een slapeloze nacht, liep zij het ziekenhuis uit en de bergen in boven Solo. Zij liep uren, tot zij niet verder kon en een diepe afgrond de weg versperde. Toen zat zij urenlang op een rots als een verloren mensenkind, zoekende naar een uitweg en wetend dat zij met een paar stappen aan alles een eind zou kunnen maken. Zij was wanhopig, bang, koud en eenzaam.
Opeens leek het of zij een stem hoorde. ‘Ik heb u niet verlaten en ik zal u nooit verlaten. Uw geloof is beproefd, maar uw taak in de deze wereld is nog niet volbracht.' Het was alsof een warme mantel om haar schouders gelegd werd en dat iemand haar vasthield.
Geleidelijk voelde zij haar krachten terugkomen. Zij stond op en begon terug te lopen, steeds denkende dat er wel iemand was die voor haar bleef zorgen en zou helpen haar kruis te dragen. En langzaam begon een dankgebed bij haar op te komen.

In het hospitaal was paniek, want niemand wist waar moeder was. Toen zij eindelijk het ziekenhuis bereikte, kon moeder niet praten en stond daar, onbewust van de vele mensen. Toen liep zij langzaam naar het orgel dat in de eetkamer stond en begon te spelen ‘De Heer is mijn Herder' en begon te zingen en geleidelijk begonnen de anderen mee te zingen. Het was hun duidelijk dat haar iets bijzonders overkomen was.

Daarom wil ik speciaal tegen de jonge mensen van deze gemeente zeggen ‘Wees getrouw', hoe moeilijk dat soms ook mag zijn. Zo vaak denken wij dat we het alleen wel aan kunnen. Wij weten het beter, totdat wij ontdekken dat wij Gods hulp nodig hebben om een leven te leiden dat waarde heeft. Denk daarom aan deze tekst, geschreven op mijn vaders graf, hier in jullie eigen dorp: ‘Wees getrouw tot in den dood en Ik zal u geven de kroon des levens.'
Ik dank u allen. U hebt mijn vader en moeder hoog geëerd en hebt hun herinnering in leven gehouden. U hebt mij zo dikwijls verteld dat u mijn ouders ziet als de wortel van uw kerk en als ik kijk naar het schilderij van mijn ouders dat hier hangt in uw kerk, dan ben ik diep ontroerd. Het is bijna of ik hun aanwezigheid hier voel. En ik kan nu ook zeggen dat ik gezien en aanvaard heb dat de dood van mijn vader, met al het verdriet en de eenzaamheid die dat in mijn familie veroorzaakt heeft, inderdaad niet voor niets geweest is, maar een deel van Gods plan voor u.
Moge God u, uw families, uw kerk en de gehele christelijke gemeente in Tana Toraja in dit prachtige land rijkelijk zegenen.'

Anno 2013, honderd jaar na de komst van Van de Loosdrecht, telt de Torajakerk 500.000 leden, 1000 gemeenten en 650 predikanten en is Torajaland een van de weinige gebieden in Indonesië waar de protestantse kerk de volkskerk is.