Oude Tonge na 1953

Geplaatst op 29-01-2013
De watersnoodramp, 1953. In Oude Tonge komen meer dan driehonderd mensen om het leven, ongeveer 10 procent van de inwoners. Wat betekent dat voor het kerkelijk leven, voor de geloofsbeleving.

Zestig jaar geleden, in de nacht van zaterdag 31 januari op zondag 1 februari 1953 stroomden delen van Zeeland en de Zuid-Hollandse eilanden onder. Het plaatsje Oude Tonge op Goeree-Overflakkee werd zwaar getroffen.

De tachtigjarige A. Quist, die jarenlang diaken en later ouderling in de hervormde gemeente van Oude Tonge is geweest, heeft zelf de ramp als jongeman van een jaar of twintig meegemaakt. ‘Mijn vrouw, met wie ik toen nog verkering had, logeerde juist bij ons. Het huis van mijn ouders stond aan de Kaai, tegen de haven aan. We werden gewaarschuwd voor het opkomende water. Samen met mijn vader ben ik nog naar de schuur gegaan om te proberen de koeien te redden. De schuur stond onder aan een dijk, dus daar kwam het water eerder. Maar we waren al te laat, we kregen de deur niet meer in beweging. Het water stond al te hoog. En het steeg heel snel want toen we bij de schuur kwamen, stond het tot aan onze enkels, maar even later stond het al tot aan onze knieën.' Hij zwijgt even, zegt dan berustend: ‘We hadden die dieren toch nooit uit de stal gekregen.'

 

Op het dak

In Oude Tonge zijn bij de watersnoodramp van 1953 meer dan driehonderd mensen omgekomen. Dat trok sporen in het dorp. Elke familie had ermee te maken. Quist verloor zelf meer dan twintig familieleden. Mevrouw Quist: ‘Je tante werd als eerste gevonden.'

Quist herinnert zich nog hoe mensen op het dak van een huis om hulp riepen, maar niemand kon wat voor hen doen. Quist, stellig: ‘Ze waren níet te bereiken.' Hij zegt dat zakelijk, bijna zonder emotie, als een feit waar nu eenmaal niets aan te veranderen valt. Toch houdt het hem na al die jaren nog bezig, verschillende keren komt hij erop terug. ‘De mensen op het dak van dat huis riepen, in het Flakkeese dialect: ‘Lafaards bin joe, lafaards bin joe!'. Ten slotte kwamen ze om in de golven.'

Het ouderlijk huis van Quist stond op een dijk, daardoor liep het niet onder. Velen zochten daar dan ook een toevlucht. Uiteindelijk zaten er vijfenveertig mensen in huis. Mevrouw Quist: ‘Jij bent nog met een bootje mensen wezen helpen.' Hij: ‘Drie keer ben ik met een bootje uitgevaren. Maar dat bleek te gevaarlijk. Het water stond tot aan de dakgoten. Er was een groot gevaar dat de boot ergens op zou stukslaan en zou zinken.'

Bijna een week na de ramp werden Quist en zijn vrouw geëvacueerd. Mevrouw Quist ging naar Rotterdam. ‘Een groenteboer in Rotterdam, bij wie ik had gewerkt, belde met de mededeling dat ik bij hen welkom was.' Haar man kwam terecht bij kennissen in Boskoop. De meeste mensen hadden toen het dorp verlaten.

 

Begrafenisplechtigheid

Ook voor het kerkelijk leven was de situatie in de maanden na de ramp dramatisch. Op een foto in het christelijke tijdschrift De Spiegel van 14 maart 1953 is te zien dat een betrekkelijk jonge man, diaken C.A. van Loon, uit de Bijbel leest bij een begrafenisplechtigheid. Hij leest, zo blijkt uit het artikel bij de foto, uit Psalm 90. Daarin staan woorden die in deze omstandigheden bijzonder moeten hebben gesproken, zoals: ‘Gij overstroomt hen, zij zijn gelijk een slaap; in de morgenstond zijn zij gelijk het gras, dat verandert; In de morgenstond bloeit het en het verandert; des avonds wordt het afgesneden en het verdort.' En: ‘Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.'

Een reguliere begrafenis was toen niet mogelijk, aldus Quist. De slachtoffers van de overstroming werden begraven in een massagraf. Het heeft enkele maanden geduurd voordat er weer een ‘gewone' uitvaart kon plaatsvinden. Op de foto staan verder enkele mannen met ernstige gezichten en petten in de hand om diaken Van Loon heen. Zij begraven hun buren, hun vrienden, hun familieleden.

Diaken Van Loon was nog de enige van de kerkenraad die in Oude Tonge aanwezig was. Van het kerkelijk leven was toen niet veel meer over. Quist: ‘Ik heb wel eens gehoord dat in het café aan de haven dienst werd gehouden. Zelf heb ik dat niet gezien.' Wel weet hij dat in de kerk meer dan één meter water heeft gestaan. Die was daarom voorlopig niet bruikbaar. ‘Eerst werd in het verenigingsgebouw gekerkt. Daar had zeker twee meter water in gestaan. Ds. J.C. Wolters preekte toen.'

 

Ruimen

Mevrouw Quist bezit nog vijf nummers van De Spiegel uit februari en maart 1953. Die kreeg ze van haar moeder. In de verschillende nummers wordt beschreven wat zich heeft afgespeeld in het rampgebied. Eén artikel is gewijd aan het ruimen van de in totaal zo'n veertigduizend dode dieren. Wekenlang trokken ploegen er met bootjes op uit om die te ruimen.

 

Terughoudend

Ds. C. van Sliedregt was van 1973 tot 1977 predikant van Oude Tonge. Het was zijn eerste gemeente. Hij herinnert zich de heer Klem. ‘Dat was een dorpsfiguur van groot belang. In mijn tijd leidde hij begrafenissen. Na afloop liet hij altijd Psalm 27 zingen. Direct na de ramp moest hij helpen met identificeren, want hij kende iedereen persoonlijk. Hij heeft me verteld dat zijn gitzwarte haar in één nacht wit werd.'

In de tijd van ds. Van Sliedregt spraken gemeenteleden niet veel over de ramp. ‘Mensen waren terughoudend. Tijdens huisbezoeken voelde je wel dat men mensen miste. Maar ik moest niet te diep vragen stellen.'

Wel merkte de predikant een diep besef van de vergankelijkheid van het leven. ‘Dat bewustzijn van leven en dood, en de ernst van leven en dood, leefde sterk. In Katwijk aan Zee, waar velen op zee omkwamen, heb ik ook gestaan. Daar spraken mensen meer dan eens vrijmoedig over aanvechting en geloof. Dat deden de mensen in Oude Tonge veel minder. Leven en dood lagen als een bepaalde druk op mensen.'

 

Herdenkingsdiensten

Dat de mensen er weinig over praatten, wil niet zeggen dat de watersnoodramp niet leefde, meent ds. Van Sliedregt. De herdenkingsdiensten die jaarlijks op de zondagavond na de rampnacht werden gehouden, trokken veel mensen. Onder hen waren er ook die anders niet naar de kerk kwamen. ‘Dat gaf wel aan hoe diep het zat in de volksbeleving.'

De herdenkingsdiensten typeert ds. Van Sliedregt als ernstig. ‘Dat blijkt uit de tekstkeuze, en ook uit de psalmen die gezongen werden.' Zo preekte hij op 3 februari 1974 over Job 38:16 en 17: ‘Bent u gekomen tot aan de bronnen van de zee? Hebt u gewandeld op de bodem van de watervloed? Zijn de poorten van de dood aan u geopenbaard? Hebt u de poorten van de schaduw van de dood gezien?' Woorden die tegen de achtergrond van de watersnoodramp een bijzondere zeggingskracht hebben. Dat geldt ook voor Psalm 69:16-17, waarover op 6 februari 1977 werd gepreekt: ‘Laat de watervloed mij niet overspoelen, de diepte mij niet verslinden, de put zijn mond boven mij niet sluiten. Verhoor mij, HEERE, want Uw goedertierenheid is rijk, zie mij aan naar Uw grote barmhartigheid.'

 

Samenbindend

Quist: ‘Uw goedertierenheid is rijk, dat is evangelie. Maar juist door de ramp konden sommigen dat niet meer geloven. Die zeiden: ‘Als er een God is, kun je dan begrijpen dat er een watersnood komt?'' Anderzijds waren er volgens hem ook mensen die aan het denken waren gezet, of wonderlijk bewaard waren gebleven en die de weg naar de kerk terugvonden.

Dat de ramp in de gemeente bleef leven, kon Quist goed merken. ‘Tijdens een huisbezoek kwam het altijd wel ter sprake.' Hij stelt dat de ramp op het dorp als geheel een samenbindende invloed had. Een derde van het dorp is rooms, maar de afstand tussen rooms-katholieke en protestantse dorpsgenoten werd na 1 februari 1953 kleiner. Onmiskenbaar heeft de watersnood een stempel op Oude Tonge gezet. Quist: ‘Dat neem je je hele leven mee, zoiets.'

Harry Groenenboom