Bede om vergeving past in eredienst

Achterin ons bijbeltje vinden we een aantal ‘Christelijke gebeden’, waarvan we de inhoud vandaag slechts tot onze geestelijke schade laten liggen.

Het zijn gebeden die bedoeld zijn om ‘in de vergadering der gelovigen’ – de eredienst – en elders gebruikt te worden. 

Als aanhangsel opgenomen in de uitgave van Bijbel, psalmberijming en belijdenisgeschriften, behoren ze niet tot het Woord van God. Die status geldt wel voor het gebed van Daniël, van Hanna, voor de Psalmen, voor de gebeden die de Heere Jezus ons leerde, voor het intieme hogepriesterlijke gebed uit Johannes 17 waarin de Vader door de Zoon verheerlijkt wordt.

En toch, de gebeden uit de traditie van de kerk vormen een grote schat. Ze kunnen ons geloofsleven vormen en voeden, ook corrigeren. Op de website van de Protestantse Kerk las ik dat ‘de dienstenorganisatie met enige regelmaat gebeld wordt met vragen naar geschikte teksten voor het openen van een vergadering of het consistoriegebed’. Er is in de gemeenten blijkbaar behoefte aan voorbeelden voor de omgang met God, ook bij ambtsdragers. Actueel is in 2018 de vraag van de discipelen: ‘Leer ons bidden.’ 

Omgang met God

Het is dertien jaar geleden dat vanuit de (toenmalige) Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken in Kampen, die in 2007 opging in de PThU, aan de Gereformeerde Bond het verzoek kwam een bijzonder hoogleraar ‘Gereformeerde vroomheid’ te benoemen. Tien jaar lang bekleedde dr. J. Hoek deze post. Als veelzeggend ervoer ik toen de onderbouwing van dit verzoek, namelijk dat het de studenten theologie nauwelijks lukte om ‘woorden te vinden voor de omgang met God, voor de binnenkant van het geloof’.

In de gezinnen, bij de inwijding in het christelijk geloof van onze catechisanten, zelfs bij aantredende ambtsdragers is aandacht voor de inhoud van het gebed wezenlijk. De goudmijn achterin ons bijbeltje kan daarin heel dienstbaar zijn. Ze bevat een gebed voor de preek, voor de nood van de christenheid, een gebed voordat de catechismus aan de orde is, een gebed voor zieken en aangevochtenen, een gebed voor het eten, een gebed om de vergadering van de diakenen mee te openen, een gebed om de kerkenraadsvergadering mee af te sluiten. 

Godsbeeld

In deze bijdrage zoom ik vooral op het eerste gebed in, uitgesproken voordat in de eredienst de preek gehouden wordt. Net als uit de andere gebeden leren we eruit Wie God is én wie de mens is, ook als genade hem geschonken werd. In het kader van het jaarthema van de Gereformeerde Bond, ‘Heilig is de Heere’, treft het je op welke wijze Hij aangeroepen wordt: ‘Eeuwige God en allergenadigste Vader’, ‘hoge Majesteit’, ‘Heere God en barmhartige Vader’, ‘genadige Vader’.

De heerlijkheid van God, die in Zijn ontferming en genade aan het licht komt, zien we temeer als de positie van de mens eveneens verwoord wordt. Dan lezen we over ‘menigmaal gezondigd’, ‘de eeuwige dood verdiend’, ‘Uw geboden zonder einde overtreden’, ‘niets hebben om te betalen’. Waar de tegenstelling tussen Licht en donkerte dit gebed stempelt, is het beroep op het Lam van God, op de Middelaar Jezus Christus, klemmend en krachtig: ‘Was ons in de zuivere fontein van Zijn bloed’; ‘dek onze naaktheid met Zijn onschuld en gerechtigheid, om de eer van Uw Naam’. 

Generaties

Deze noties willen en mogen we niet kwijtraken, ook niet in de voortgang van de generaties. Ik denk aan het symposium over het thema ‘Geloofsbeleving tussen de generaties’, dat onze Vrouwenbond anderhalf jaar geleden hield. Daar zei CHE-docent N.C. van der Voet dat ‘een jongere als gevolg van de ik-cultuur God aanvaardt ter bevestiging van zichzelf’. In één adem voegde hij toe dat dit de jongeren zijn die door de huidige generatie gevormd zijn. De ouderen zijn daarmee aangesproken. 

*** 

De opbouw van de eredienst, zoals we die uit de Reformatie ontvingen, biedt ons in de toerusting van de gemeente veel. Zoals de gebeden uit ons kerkboek tonen op welke wijze God en mens binnen het verbond met elkaar omgaan, zo laat ook het geheel van de kerkdienst dit zien. De samenkomst van de gemeente voltrekt zich op het ritme van Gods spreken en ons antwoorden. Het houdt in dat aan de verkondiging van het Evangelie elke zondag opnieuw het voorlezen van Gods wet voorafgaat, geboden die evenzeer in het raamwerk van het verbond klinken. 

Vreugde in de wet

In Romeinen 3:20 vinden we een van de functies van die geboden: ‘Door de wet is immers kennis van zonde.’ Hoe beleven gemeenteleden die wekelijkse lezing, mensen die voor de kerkdienst misschien wel vooral verlangen naar troost en bemoediging? Het is goed dan te beseffen dat het in de Torah, de wet van God, gaat om onderwijzen, om richtingwijzers voor ons leven.

Psalm 1 tekent ons het leven van de man die in de wet van de Heere vreugde vindt en die wet dag en nacht overdenkt. Een refrein van deze woorden vinden we in Psalm 119: ‘Hoe lief heb ik Uw wet! Hij is heel de dag mijn overdenking.’ Die wet geeft inzicht aan de vrome Israëliet. Om de gemeente te brengen op deze toonhoogte, is ons wekelijks de eredienst geschonken. De wet drijft ons tot Hem Die de wet als Enige gehouden heeft, Jezus Christus. 

Catechismus

Waar de wet de uitdrukking is van de heilige wil van de Heere, behoort het voorlezen ervan tot de essentie van de kerkdienst. Ze doet ons diep in de spiegel kijken. De catechismus van Heidelberg stelt hierover deze vraag: ‘Waarom laat ons dan God zo scherp de Tien Geboden prediken, aangezien niemand ze in dit leven toch houden kan?’

Het antwoord is tweeledig: 1. Hoe meer we onze zondige aard leren kennen, des te begeriger zijn we om de vergeving van de zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken; 2. Opdat we temeer God bidden om de genade van de Heilige Geest, om almeer vernieuwd te worden naar het beeld van God. 

Gedenk niet meer…

En dan zijn we weer bij de ‘Christelijke gebeden’ uit ons bijbeltje. Het daar genoemde gebed voor de preek begint na de lezing van de wet niet met de bede om de opening van het Woord, maar met verootmoediging, schuldbelijdenis.

De mate waarin deze belangrijke noties levend blijven, kunnen we aflezen aan wat er na de wetslezing gezongen wordt. Vanouds hoorde in de hervormde gemeenten Psalm 79:4 daar zeker bij:

Gedenk niet meer aan ’t kwaad dat wij bedreven

(…) Verzoen de zware schuld,

die ons met schrik vervult,

bewijs ons eens genade!

Of, het gebed uit Psalm 26:2:

Beproef vrij van omhoog

mijn hart, dat voor Uw oog,

Alwetende, steeds open lag. 

Wie onderzoek doet naar hoe vaak een lied vandaag op de psalmborden voorkomt – die ‘hobbyisten’ zijn er – zal ontdekken of de lezing van de wet ons brengt tot het buigen van ons hoofd voor God. 

Gebed voor de preek

Tot slot, de lezing van Gods geboden bepaalt ook het eerste gebed in de kerkdienst. Zeker, hierin ligt er de lijn naar de verkondiging: ‘Open nu de mond van Uw dienaar en vervul die met wijsheid en kennis, opdat hij Uw Woord zuiver en vrijmoedig verkondigt. Bereid ook ons aller hart…’

Het gebed om de schuldvergeving hoort hier echter bij, mag de eerste reactie op het lezen van de geboden zijn. Na de breuk met Rome is de schuldbelijdenis in de protestantse liturgie ervaren als een openbare en gemeenschappelijke biecht van de hele gemeente. Het was de synode van Dordt die in 1574 vaststelde dat de genadeverkondiging in de prediking van het Evangelie genoegzaam uitgesproken wordt en dat de schuldbelijdenis een plaats dient te houden in het gebed voor de preek. Alsof dit voor vandaag uitgesproken is!

Tot slot een woord van prof. dr. M.J.G. van der Velden, die in Utrecht een generatie theologen inzake de liturgie vormde: ‘Bij de roeping om te belijden past zeker het belijden van schuld. Wij spreken daarbij uit dat we weten wie we zijn in de ontmoeting met de God van recht en genade.’

P.J. Vergunst