Bidden in de lijdenstijd

Toen het er écht op aankwam, toen de lijdensbeker gedronken moest worden, kon de Heere Jezus zonder het gebed niet verder. Opnieuw valt de biddag volgende week in de lijdensweken.

Wat in heel het leven van Christus praktijk was, gold bij het naderen van de dood intens en totaal: zonder het contact met de Vader was Zijn taak niet te volbrengen.

Bidden, dat doe je concreet. We vragen specifieke dingen aan God. Aan het begin van een nieuw seizoen, waarin koren groeien zal op de akkers, waarin computers overuren maken, waarin mantelzorgers hun naasten liefhebben, bidden we om Gods zegen over het werk van onze handen. Die dag beseffen we met Salomo dat de wachter tevergeefs waakt, als de Heere de stad niet bewaart; dat bouwlieden tevergeefs zwoegen, als de Heere het huis niet bouwt. Als we bidden, schrappen we het woordje ‘maakbaar’ – een oefening die een christen voortdurend nodig heeft. 

Concrete nood

Wie voorgaat in de openbare eredienst, heeft zich daarom te verdiepen in de concrete nood van onze tijd, van mensen die nu leven, van onze samenleving, van de gemeente en de kerk als geheel. Immers, als je de naam van de Protestantse Kerk in het gebed noemt, moet je weten wát we de Heere voor de kerk vragen, wat ze nodig heeft.

Wat zou het goed zijn om volgende week de Heere te smeken (ja, want bidden is intens, is meer dan ‘even’ iets noemen) om geroepen dienaars van het Woord, die gehoorzaam aan de Schrift in de kerk dienen, ook nu er dit jaar opnieuw velen met emeritaat gaan. Wat zou het goed zijn om te bidden voor goede verhoudingen in de kerkenraden, waarbij we de ander uitnemender achten dan onszelf, juist nu er op véle plaatsen spanningen zijn of een losmaking dreigt. 

Armoede

De biddag richt zich vanouds op ‘gewas en arbeid’, op onze levensomstandigheden en onze bestaanszekerheid. Enerzijds zien we dan een economie die weer opbloeit, die al twee jaar lang meer dan twee procent groei vertoont. Wie hierin geïnteresseerd is, weet dat het beter gaat met de export, met investeringen, met consumentenvertrouwen.

Anderzijds leeft in ons land een op de negen kinderen in armoede. Nu is dat een volstrekt andere armoede dan in Jemen, Noordoost-Nigeria of Zuid-Soedan. In Nederland geldt van deze kinderen dat ze op school gepest worden, omdat ze merkloze of tweedehands kleding dragen of omdat ze de voedselbank nodig hebben. Individuele armoede geldt niet het land als geheel. 

Flexibilisering van arbeid

Het is vooral de Raad van Kerken – los van de HGJB, die zich met zijn biddagmap op aandacht voor kinderen richt – die in ons land materiaal voor de biddag aanreikt. Voor nu ligt de focus op de flexibilisering van de arbeid, waarbij met name twintigers en dertigers met tijdelijke contracten leven moeten. De Raad constateert dat de vakbonden bijgedragen hebben aan de kloof tussen de generaties door te gemakkelijk mee te gaan in de veranderde regelgeving, ook omdat die flexibilisering niet de oudere generatie gold, die al lid was van de vakbond. Ons land kent 3,3 miljoen mensen met een tijdelijke baan.

Er gaat voor mij wel een nieuwe wereld open als deze flexwerker in het materiaal van de Raad vergeleken wordt met de mier uit Spreuken 6, die in de zomer zijn voedsel gereedmaakt. En ik kijk met andere ogen naar de zendingsapostel Paulus, die vanwege zijn kunde als tentenmaker (Handelingen 18) met een ZZP’er vergeleken wordt.

Kerk voor de buurt

Het is goed als de kerk zich buigt over de vragen van arbeid en zorg, van bestaanszekerheid en balans in het leven van mensen binnen en buiten de kerk. Het was een bijzondere ervaring tijdens de recente afscheidsdienst van ds. J.A.W. Verhoeven in Leerdam-West te vernemen hoe deze wijkgemeente rond de Pauluskerk met vallen en opstaan gegroeid is in kerk-zijn voor de buurt, in het delen van Bijbel en brood met mensen aan wie de neoliberale zelfredzaamheid niet besteed is.

Juist op de biddag besef ik vooral dat kerk en overheid een eigen roeping hebben. Hoe goed het is dat de Raad van Kerken aandacht vraagt voor mensbeeld en relaties, voor zekerheid en solidariteit, voor ‘de erfenis van het sociaal darwinisme waarbij we eigenlijk geen verantwoordelijkheid nemen voor de zwakkeren’ – het lijkt me de taak van de (christelijke) politiek op te komen voor mensen in de knel en te komen tot concreet beleid. De biddag van de christenheid krijgt zo haar eigen betekenis, ook in het gebed voor de overheid, een gebed om wijsheid en rechtvaardigheid, om barmhartigheid en integriteit. 

Betere wereld?

Hier zijn wij, vrouwen en mannen,

bereid uw Koninkrijk te dienen,

een betere wereld.

Verraden deze woorden uit het materiaal van de Raad van Kerken de hoop op een betere wereld? De geschiedenis leert ons telkens weer dat structuren en ideologieën ons niet redden, evenmin als ónze voornemens. Een betere wereld – die komt van de andere zijde, van Boven. Juist op biddag richten we ons op de geestelijke dimensie van onze arbeid. Immers, als we geleerd hebben dat zonder de zegen van God níets ons goed zal doen, worden we een royale werkgever en een trouwe werknemer. 

***

Gerichtheid op God, dat mag de biddag vooral kenmerken, dat mag elk toerustingsmateriaal vooral benoemen. Ook als de economie aantrekt en perspectieven gunstiger zijn, dan blijft het waar dat moeite en verdriet het beste van ons leven zijn (Ps.90). Het zijn woorden die wellicht wat irriteren als het je goed gaat, als je geluk ervaart. Toch is het niet te ontkennen dat gebrokenheid in ieders leven tastbaar is, een reden om ons als gemeente gezamenlijk in het gebed te verenigen. 

Voorbeeld nagelaten

Om die reden is het mooi dat biddag en lijdenstijd samenvallen. In Zijn lijdensweg heeft de Heere Jezus de woorden die Jakobus (5:13) later schrijven zou, in praktijk gebracht: ‘Is iemand onder u in lijden? Laat hij bidden.’ De Heiland weet van rouw en gemis, handicap en chronisch ziek-zijn, van een blijvend lege plaats aan tafel of spanning op de werkvloer, van eenzaamheid en stil verdriet; Hij weet van de gevolgen van de zonde, al heeft Hijzelf de zonde niet gekend.

In Zijn gebedsleven liet Hij ons een voorbeeld na. Gedurende heel Zijn leven wist Hij Zich aangewezen op de kracht en de zegen van de Vader. ‘Ik kan van Mijzelf niets doen’ (Joh.5:30), woorden die een totale afhankelijkheid tonen. En waar het lijden heviger werd, werd het gebed intenser: bij de ingang van Gethsémané zonderde Hij Zich af en hoorden de discipelen: ‘Ga hier zitten, terwijl Ik daar ga bidden.’ Terwijl het zwaard tegen de Herder ontwaakte (Zach.13:7), bad Jezus voor de tweede en voor de derde keer. 

Uw wil geschiede

Niet alleen vanwege de gebedshouding, ook vanwege de gebedsinhoud leert de kerk van Jezus’ leven en woorden. Dat mag volgende week onze kerkdiensten stempelen. Volledig is Hij gericht op de wil en de geboden van de Vader. Dat is iets anders dan allereerst vragen of zorg en verdriet ons leven voorbij zullen gaan. Terwijl de beker van Gods toorn (zie ook Jeremia 25) over Hem uitgestort wordt omdat God de zonde niet door de vingers zien kan, bidt Hij: ‘Laat Uw wil geschieden.’ Hij leerde gehoorzaamheid uit wat Hij geleden heeft.

Zullen we als kerk van Christus daarom op de biddag voor alles gericht zijn op de wil van God, uitgedrukt in de tien leefregels, Zijn geboden? Dan wenden we ons met concrete vragen tot de troon van Gods genade, gericht op de schepping en de samenleving, op gezinnen en op de kerk, op ieder van ons. Dat gebed is de dienst die we de wereld bewijzen, ook al weet zij er niet van. Dat gebed wordt – zo geloven we – verhoord. Als we ‘amen’ zeggen, belijden we met de catechismus dat ‘ons gebed veel zekerder door God gehoord is dan wij in ons hart gevoelen dat we van Hem begeren’. Om Christus’ wil, Die getrouw geweest is.

Missionair

Wil de kerk betekenis hebben in de samenleving? Laat zij werkelijk biddag houden. Een groter dienst kan ze overheid en politiek, land en volk niet bewijzen. Dan is de kerk missionair: ‘Geef mij de vreugde over Uw heil terug, ondersteun mij met een geest van vrijmoedigheid. Dan zal ik overtreders Uw wegen leren en zondaars zullen zich tot U bekeren.’ (Ps.51:14,15)

P.J. Vergunst