Danken voor het ongewone

Gods daden roepen ertoe op om ons leven aan Hem te wijden

Danken, die ene dag in de eerste novemberweek mag symbool staan voor heel ons leven. Met ‘weinig of met overvloed’, al naar Hij geeft, mag een kind van God Hem dienen.

Dankbaar te zijn, dat moet je leren. En dat gaat best diep. Als kind kun je geen zin hebben om ‘dank u wel’ te zeggen voor een kleinigheid, voor een koekje of iets meer. Immers, die woorden zijn niet alleen uiting van beleefdheid, niet alleen een bewijs van je opvoeding. Die woorden erkennen dat het niet vanzelf spreekt dat je iets krijgt. We hebben het dan over genade, over niet-verdiende goedheid. En dat gaat best diep. 

Brood in de vriezer

Een hulpmiddel is daarom de jaarlijkse dankdag, een gebruik dat uit de Middeleeuwen stamt, de tijd van de ‘vaste bededagen’. In 1578 werd bepaald dat er tijdens oorlog en andere rampen massaal gebeden en gedankt moest worden. Een vaste dag om te danken werd in 1653 in Overijssel vastgesteld. Besloten werd om op de eerste woensdag van november te danken voor het gewas, in het besef dat de zegen van God nodig was voor een dagelijks gedekte tafel. De opkomst en groei van de industrie maakte dat de dankdag voor gewas én arbeid gehouden werd.

Voor wat van mezelf is, hoef ik niet te danken. Mijn auto is mijn bezit en ik dank nooit dat ik er in rijden mag – wel voor een behouden aankomst overigens. Je dankt voor wat niet vanzelf spreekt, wat ongewoon is. Is het ongewoon dat er thuis altijd een brood in de vriezer ligt, een appel in de fruitschaal? Ja, eigenlijk wel, al zijn we afgeleerd dat te beleven. De krant en het journaal heb je daarvoor nodig, beelden van vluchtelingenkampen, van uitgeputte akkers, van de gebarsten klei van droge rivierbeddingen. En als je dan vluchtelingen in rubberbootjes ziet dobberen, is mijn auto toch ook ongewoon. 

De zegen van de Zoon

In de Bijbel staan niet veel uitroeptekens, maar aan het einde van 2 Korinthe 9:15 heeft de HSV die wel: ‘Ja, God zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave!’ Daar hebben we dat ongewone weer, dat on-vanzelfsprekende dat God Zijn Zoon naar de aarde zendt, dat de Zoon bereid is de heerlijkheid van de hemel te verlaten en ons zondige vlees aan te nemen. Hij werd de bron van ‘alle geestelijke zegen in de hemelse gewesten in Christus’, de zegen die de Zoon in de hemel bewaarde en die de Geest op aarde uitdeelt. Als je er langer over mediteert, wil je wel drie uitroeptekens plaatsen.

Nu, dat laatste hoeft niet, maar het ongewone van Christus’ komst zet ons wel in beweging. Het on-vanzelfsprekende van Gods verkiezende liefde richt ons op de roeping van elke christen: ‘opdat wij heilig en smetteloos voor Hem zouden zijn in de liefde’. (Ef.1:3,4)

 

U spaarde niet Uw eigen Zoon;

Hij leed en stierf; droeg smaad en hoon;

voor Hem was ’t kruis, voor ons de kroon,

die U ons geeft.

 

Neem dan ons leven, geld en goed;

wij treden U, Heer, tegemoet

met weinig of met overvloed,

al naar U geeft.

 

Hart en handen

Danken is niet alleen een uiting van ons bidden, maar raakt mijn concrete leven. Als Gods onuitsprekelijke gave ons leven in beslag nam, stempelt dit mijn hart én mijn handen. Woorden alleen, ze kunnen leeg zijn, zelfs uit de mond van hem die geestelijke leiding dient te geven. In Lukas 18 lezen we het dankgebed van de Farizeeër: ‘O God, ik dank U dat ik niet ben zoals de andere mensen (…), ik vast tweemaal per week. Ik geef tienden van alles wat ik bezit.’ De Bijbel leert dat zo’n dankgebed de hemel niet bereikt, zoals God ooit geen acht sloeg op het offer van Kaïn.

Met een offer heeft onze dankdag ondertussen alles te maken, juist vanwege Gods ontferming over zondaars. Daar ligt de bron voor het appèl om ‘uw lichamen aan God te wijden, als een levend offer, heilig en voor God welbehaaglijk’. (Rom.12:1) Het Evangelie wil gestalte aannemen in mijn leven, als ‘de wet van de Geest van het leven in Christus Jezus’ (Rom.8:2) in mijn hart geschreven is. Zo leert de kerk via de Heidelbergse Catechismus in Zondag 12 aan onze jongeren waarom je een christen genoemd mag worden: door het geloof een lidmaat van Christus, (…) opdat ik mijzelf tot een levend dankoffer aan Hem offer.

Missionair

Voor het zendings- en evangelisatiewerk, voor een levenshouding die missionair is, is de dankdag eveneens een bron van inspiratie. Bij danken hoort immers delen, niet alleen de overvloed in natuurlijke goederen maar ook de geestelijke zegeningen. In Psalm 77 gaat Asaf ons erin voor: ‘Ik zal de daden van de Heere gedenken, ik zal al Uw werken overdenken en over Uw daden spreken.’

Zo is de geschiedenis van Israël een refrein van Gods machtige daden, is het boek Deuteronomium een doorlopend relaas om die daden te gedenken én om vanwege Gods handelen dankbaar te leven.

De bron van de liefde is God Zelf, zodat onze dankbaarheid altijd reactie is. ‘Niet omdat u groter was dan al de volken heeft de Heere liefde voor u opgevat en u uitgekozen, want u was het kleinste van al de volken. Maar vanwege de liefde van de Heere voor u.’ (Deut.7:7) Hier zien we weer het óngewone, het on-vanzelfsprekende van de verkiezing als reden tot dank.

In gedachten houden

Houdt steeds in gedachten wat de Heere, uw God, aan farao en geheel Egypte gedaan heeft. Het Nieuwe Testament trekt de lijn van het Oude door, als Paulus aan zijn leerling Timotheüs schrijft: ‘Houd in gedachten dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt.’ Want de daden van de Heere hebben wereldwijde betekenis; Hij handelt opdat alle volken de God van Israël erkennen en dienen zullen. Niets kan de Heere meer verdrieten dan dat we Zijn daden vergeten, ons er niet aan storen, leven alsof Zijn macht en liefde er niet beslissend toe doen. Ondankbaarheid is dat, zoals Psalm 106 erover zingt: ‘Zij vergaten God, hun Heiland, Die grote dingen gedaan had in Egypte…’ Een refrein is dit, als we zien dat Jesaja (17:10) hetzelfde verwoordt: ‘Want u bent de God van uw heil vergeten, aan uw sterke Rots hebt u niet gedacht.’

Al is de dankdag geen sacrament, we hebben die jaarlijkse herinnering wel nodig. Dankdag als een oproep om ons te bekeren van egoïsme, om God centraal te stellen, om jezelf aan Hem te wijden. En dat gaan ze merken in jouw gemeente, in de straat waar je woont, bij de GZB en Hulp Oost-Europa en SDOK en… Zo zijn de daden van God bron voor een dankbaar leven. 

Zingen

Tot slot, in de week van de dankdag mag er niet alleen aandachtig gebeden worden, maar ook gezongen. ‘Zing voor de Heere met dank in uw hart.’ (Kol.3:16) Veelal gebeurt dit danken binnen de christelijke gemeente – de plaats waar de lofzang gaande gehouden wordt –, maar het gezin als de plaats waar de huisgodsdienst bloeit, is hiervan niet uitgesloten. Hier leren we in de geloofsopvoeding – biddend en zingend – dat dankbaarheid tot de basale houding van een christen behoort. Onopgeefbaar is die houding, zelfs in gebrokenheid en nood, in de gevangenis. Lastig is dat in onze cultuur om uit te leggen, waar voorspoed en geluk veelal het resultaat moeten zijn van mijn zelfontplooiing. Om dit in te oefenen heb je de christelijke gemeente nodig, elke eerste dag van de week.

 P.J. Vergunst