Delen in Gods heerlijkheid

Kroning van onze Koning kunnen we met vreugde en verwachting vieren

Rond de viering van Hemelvaart richten we ons al gauw op de zegen van dit heilsfeit voor ons. Wat zou het voor de Heere Jezus Zelf geweest zijn om terug te keren naar de hemel?

En wat heeft het bovendien voor de Vader betekend om Zijn enige Zoon weer bij Zich te hebben?

Bij deze aspecten staan we niet vaak stil. Het is verrijkend om vanuit de Schrift ook hieraan aandacht te geven. Het zet de hemelvaart van onze Heiland in een ander perspectief waardoor de grootheid van dit – vaak onderbelichte – heilsfeit extra oplicht. 

Thuis bij de Vader

Centraal staat de heerlijkheid van de Heere waarmee in de Bijbel Gods majesteit wordt bedoeld, een werkelijkheid die al onze voorstellingen compleet te boven gaat. Als God iets van Zijn heerlijkheid laat zien, zijn mensen nergens meer. Dat hebben Mozes, Jesaja en de herders in de kerstnacht ervaren. Het is niet voor niets dat een verschijning van de levende God dikwijls omgeven is door een wolk. Zo ook bij de hemelvaart van Christus. Enerzijds ónthult de wolk Gods aanwezigheid – anderzijds vérhult de wolk Gods heiligheid waarvoor wij als zondige mensen niet kunnen bestaan.

De Heere woont in een ontoegankelijk licht (1 Tim.6:16). In die heerlijkheid deelde Jezus voor Zijn komst naar deze wereld. Hij was bij God en was ook Zelf God (Joh.1:1). In Spreuken 8:30 lezen we dat de Wijsheid – waarmee Christus wordt bedoeld – Gods Lievelingskind was, dag aan dag Zijn bron van blijdschap. Ontroerend zoals hier de band tussen Vader en Zoon wordt verwoord. We proeven een diepe eenheid en een unieke intimiteit. Christus was helemaal Thuis bij God in Diens heerlijkheid. We kunnen er hooguit iets van vermoeden. Het ontbreekt ons aan woorden om deze werkelijkheid te tekenen. Daarom komen we niet verder dan wat gestamel. 

Vreemdeling op aarde

Diep ingrijpend was het voor Christus om de hemelse heerlijkheid te verlaten. Reken maar dat het voor de Vader niet minder ingrijpend was om Zijn Zoon weg te zenden. Ondertussen heeft Jezus het aan God gelijk zijn opgegeven (Filip.2:6). En dát vrijwillig, uit liefde tot zowel Zijn Vader als Zijn gemeente. Hij daalde neer vol overgave om Gods reddingsplan uit te voeren. De warmte van het Vaderhuis heeft Hij verwisseld voor de vrieskou van deze aarde waar Hij niet welkom was. Een enorme overgang.

Uit het hogepriesterlijk gebed weten we dat de Heere Jezus intens heimwee heeft gehad naar Huis. Het viel voor Hem niet mee om te midden van zonde en gebrokenheid te leven. Hartstochtelijk heeft Hij ernaar verlangd om weer verheerlijkt te worden met de heerlijkheid die Hij bij God bezat voordat de wereld er was. Hij heeft er ook vurig om gebeden (Joh.17:5). Hij was én voelde Zich Vreemdeling op aarde. 

Verborgen heerlijkheid

Toch was Gods heerlijkheid niet volstrekt van Jezus weggenomen tijdens Zijn aardse bestaan. Hier stuiten we op iets paradoxaals in de evangeliën. Enerzijds was Hij van God ontdaan en daarmee ook van de hemelse luister. Anderzijds is er in de evangeliën ook regelmatig sprake van Jezus’ heerlijkheid, vooral bij Johannes die voortdurend de eenheid tussen de Vader en Zoon benadrukt. Al is het Woord/Christus vlees geworden – toch hebben we Zijn heerlijkheid gezien (Joh.1:14). Onder meer in Kana waar de Heere tijdens een bruiloft Zijn heerlijkheid heeft geopenbaard (Joh.2:11).

En wie denkt niet aan de verheerlijking op de berg toen Jezus met de glans van de hemel werd omgeven? Dat was voor Hem een bemoediging van de Vader om de lijdensweg te vervolgen richting Jeruzalem. Wonderlijk genoeg blijkt juist het kruislijden het uur van Jezus’ verheerlijking te zijn (Joh.12:23). Waarom? Omdat op Golgotha het grootste werk ooit tot stand is gekomen. Alleen was Jezus’ heerlijkheid verborgen onder de schijn van het tegendeel. Je moet er oog voor krijgen, geloofsoog als geschenk van de Heilige Geest. Calvijn gebruikt het beeld van kleine streepjes licht die via kieren een donkere ruimte binnenvallen. Wie geleid werd door de Geest zag sporen, flarden van Jezus’ heerlijkheid. 

Over en weer

Ondertussen was Hij onderweg naar de volkomen heerlijkheid. Het ging door lijden tot heerlijkheid. Hierbij past wat de opgestane Jezus de broeders uit Emmaüs vragenderwijs heeft voorgehouden: ‘Moest de Christus dit niet lijden en zo in Zijn heerlijkheid ingaan?’ (Luk.24:26) Mooi om in het gebed uit Johannes 17 te horen hoe Vader en Zoon elkaar wederzijds verheerlijken. ‘Ik heb U verheerlijkt op de aarde’, bidt Jezus in vers 4. Hoe? Door het werk te volbrengen dat God Hem heeft opgedragen. Tijdens Zijn rondwandeling op aarde was Christus voortdurend op de eer van Zijn Vader gericht en niet op Zijn eigen eer (Joh.8:49-50).

Vervolgens bidt Hij om Zelf verheerlijkt te mogen worden. Een gebed dat bij Zijn hemelvaart is verhoord. Inderdaad verheerlijking over en weer. Zo liggen de verhoudingen tussen God de Vader en God de Zoon. Hiermee spoort het werk van God de Heilige Geest, Die op Zijn beurt Christus verheerlijkt (Joh.16:14). Het is niet voor niets dat al deze diepe noties in het Evangelie van Johannes staan. De vierde evangelist heeft nu eenmaal iets eigens. 

In ere hersteld

Veertig dagen na Pasen is de definitieve verheerlijking van onze Heiland een feit geworden. Hij is met heerlijkheid en eer gekroond (Hebr.2:9). De evangeliën en Handelingen beschrijven de hemelvaart in de passieve vorm: Christus wérd opgenomen. En Paulus schrijft aan Timotheüs dat Hij ís opgenomen in heerlijkheid (1 Tim.3:16). De Vader trok Hem naar Zich toe en haalde Hem Thuis. Hiermee heeft God verklaard dat Hij Jezus’ kruisoffer aanvaardde. Dat had Hij al eerder gedaan door Zijn Zoon op te wekken uit de dood. Bij de hemelvaart is het nog weer bevestigd. De hemelvaart ligt in het verlengde van Pasen.

Wat moet het een blij en feestelijk gebeuren zijn geweest. In Psalm 110:1 wordt het beeldend beschreven. Het is net alsof we in deze psalm getuige zijn van hét grote moment waarop Christus de hemel binnenkwam. De troon stond klaar, er was een ereplaats gereserveerd, en God zei: ‘Neem plaats, zit aan mijn rechterhand.’ Na al Zijn omzwervingen op aarde is deze Zoon weer op Zijn thuisbasis teruggekeerd en voorgoed in ere hersteld, omdat Hij Zijn missie had volbracht.

Hem en God ten goede

In de Heidelbergse Catechismus wordt beleden dat Christus ‘ons ten goede’ in de hemel is. Dat is inderdaad het geval. Dit heilsfeit bevat een schat aan zegeningen, vooral omdat onze Heere Zijn werk in en vanuit de hemel voortzet. Met eerbied gezegd: Hij is het niet wat rustiger aan gaan doen. Integendeel. Er is zelfs een nieuwe fase in Zijn heilswerk aangebroken. Voortvarend werkt Christus op de grote dag van de voleinding aan. Alles stelt Hij in het werk om Zijn gemeente bij Zich te hebben en het Koninkrijk van God te laten doorbreken.

Zouden we echter ook niet kunnen zeggen dat de hemelvaart ‘Hem ten goede’ is, omdat Hij is verheerlijkt? Bovendien is de hemelvaart ‘God ten goede’, omdat de Vader met Zijn Zoon verenigd is.

Zijn eer

Gunnen we de Heere Zijn eer? Als genade ons alles geworden is, dan is het ons verlangen dat onze Heiland tot in eeuwigheid wordt grootgemaakt. Laat dat nou om te beginnen door de Vader gebeuren. Zullen we dit aspect van de hemelvaart niet vergeten door te veel op het ‘ons ten goede’ gefocust te zijn? Psalm 21 zingen we vaak rond Pasen. Maar laten we het ook bij de viering van Jezus’ hemelvaart zingen:

Hoe groot en schitt’rend is Zijn eer,

door ’t heil aan Hem bewezen!

Wat glans, wat majesteit

hebt Gij die Vorst bereid!’ 

En ook dat andere couplet over een kroon van ’t fijnste goud die God Hem op ’t hoofd heeft gezet. De paaspsalm is tevens een hemelvaartspsalm.

Met Christus verheerlijkt

Aan het einde van het hogepriesterlijk gebed spreekt de Heere Jezus naast Zijn eigen heimwee nog een ander verlangen uit. Hij wil Zijn volgelingen bij Zich hebben, opdat zij Zijn heerlijkheid zien die de Vader Hem gegeven heeft (Joh.17:24). De Bruidegom wil de eeuwigheid niet zonder Zijn bruid doorbrengen. Bovendien zullen allen die Hem hebben lief gekregen, zelf ook verheerlijkt worden (Rom.8:17). Met Hem zullen we zijn, inclusief ons lichaam dat nu nog een vernederd lichaam is (door ziekte, afbraak en gevoeligheid voor de zonde). Het wordt gelijkvormig aan het verheerlijkte lichaam van Christus (Filip.3:21). Of zoals Johannes het schrijft: wij zullen Hem gelijk zijn, want wij zullen Hem zien zoals Hij is (1 Joh.3:2).

Al met al redenen genoeg om de kroning van onze Koning met vreugde en verwachting te vieren.

J.C. Schuurman

Bestel een los nummer, maak gebruik van onze actie en lees De Waarheidsvriend vier maanden voor € 10,- of neem een jaarabonnement op De Waarheidsvriend.