Evolutietheorie geen 'gevestigde kennis'

Ruimte voor tegenstemmen

In Baambrugge heeft dr. Van den Brink een evolutionistische overmacht ervaren. Ik kan het me indenken. Reden te meer om de bezinning gaande te houden over de vraag of christenen en theologen iets eigens te zeggen hebben. Eigenwijsheid is inderdaad ongepast, maar gezond, geestelijk zelfbewustzijn hoeven we ons niet uit handen te laten slaan.

Uit de veelheid van thema’s die de vorige artikelen opriepen, kies ik er drie om over door te denken: de betekenis van bijbelse theologie en exegese, het beroep op artikel 2 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de vraag naar wetenschap en kennis.

Bijbelse theologie

De aanvaarding van de evolutietheorie dwingt ons tot een nieuwe uitleg van talloze Schriftplaatsen en -woorden. Daaruit ontstaat het beeld dat de schepping niet volmaakt was. Er was lijden onder mensen en dieren, er was volgens sommigen ook de (lichamelijke) dood. Wie aan Genesis 1-3 symbolisch gehalte toeschrijft, kan van de zes scheppingsdagen zes perioden maken die in overeenstemming met de evolutietheorie miljoenen jaren hebben geduurd. Dr. Van den Brink somt een hele rij theologen op die dit harmoniemodel aanhangen en nochtans orthodox bleven.

Opmerkelijk is dat geen van deze theologen het vakgebied ‘exegese en bijbelse theologie’ beoefent. Je hebt de bijbels theologen en exegeten tegen als je bijbelse grondwoorden van betekenis laat veranderen ten gunste van een harmoniemodel. Zuiver exegetisch kunnen we van woorden als dag, dood, voltooid, goed echt niet wat anders maken. Uitlegkundig maak je ook een vreemde stap als je de ‘stoffelijke mens’ in 1 Korinthe 15:47 uitlegt als ‘sterfelijk geschapen mens’.

Mijn vragen over de staat der rechtheid staan dus nog steeds open. In het harmoniemodel verandert de zondeval namelijk van karakter. Was er een staat der rechtheid, dan was de zondeval een keuze om zich in het kwaad te storten en van God los te maken. Was er van den beginne echter al menselijke agressie, dan wordt de zondeval een keuze om in het kwaad te volharden en te verergeren en zich niet tot God te keren. Maar deze laatste gedachte is vreemd aan de Schrift. Zoals in de bijbelse antropologie (leer van de mens) ook geen enkel spoor te vinden is van afstamming van de dieren – integendeel.

Literair geheel

Is daarmee het geding beslecht? Nee, want via de hermeneutiek (tekstuitleg) kun je alsnog een brug proberen te slaan tussen Bijbel en wetenschap. Bijvoorbeeld door te zeggen dat Genesis 1-3 een literair-symbolische weergave van historische feiten is. Wat die feiten zelf zijn, blijft daarmee onduidelijk, maar er zit in ieder geval een geloofwaardige boodschap in, namelijk dat de werkelijkheid waarin wij leven door God gewild en geordend is. Hóe dat allemaal gegaan is, wordt langzaam maar zeker door de natuurwetenschappen ontdekt.

De structuur van het hele boek Genesis is echter één literair geheel. De schepping van hemel en aarde en Gods weg met de aartsvaders zijn op eenzelfde literaire wijze, in eenzelfde kader, geschreven. De seinen gaan op rood als we met hermeneutische constructies de Bijbel kunnen laten zeggen wat hij niet zegt. Dat is nog steeds mijn kernbezwaar tegen het harmoniemodel: de evolutietheorie is een hermeneutische sleutel geworden.

Verklaringsmodel

Maar dat doen we toch ook met de zon in Gibea? werpt dr. Van den Brink tegen. Sinds Copernicus en Galileï wetenschappelijk aannemelijk maakten dat de aarde om de zon draait, lezen we (ondanks Voetius’ protest) Jozua 10:12 toch ook niet meer letterlijk? Zoals we deze natuurwetenschappelijke (‘gevestigde’) kennis in onze bijbeluitleg verwerken, zo kunnen we dat toch ook gerust met andere gevestigde kennis doen?

Deze vergelijking houdt geen stand. De ontdekking dat de aarde om de zon draait, is de ontdekking van een natuurwet. Deze is, naar de eis van de wetenschap, door meten, wegen en zintuiglijke waarneming vastgesteld. Toch zeggen wij in 2015 nog steeds dat de zon opkomt en ondergaat – zo vreemd is Jozua’s uitroep dus niet.

De evolutietheorie is echter een ander soort kennis (als je deze al echt kennis in de strikte zin mag noemen). Zij is een theorie, een verklaringsmodel over een periode en gebeurtenissen waar niemand bij is geweest, en daarmee eerder een historische dan een natuurwetenschappelijke theorie. Een theorie die dus ook veel afhankelijker is van interpretatie, en dus van de onderliggende vooronderstellingen (axioma’s).

Met verklaringsmodellen zijn we in de theologie dus uiterst voorzichtig.

Nederlandse Geloofsbelijdenis

Dr. Van den Brink beroept zich voor zijn harmoniemodel op artikel 2 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Dit artikel spreekt over het boek van de natuur, waaruit ieder mens iets van God kan leren kennen. We hoeven dus niet zo bang te zijn voor natuurwetenschappelijk onderzoek, integendeel, we mogen dankbaar zijn dat van artikel 2 een sterke impuls is uitgegaan tot deze wetenschappen.

Hoewel dat laatste waar is, is het de vraag of dit de intentie van Guido de Brès is geweest en of wij dit dus in zijn belijdenis mogen lezen. Enerzijds sluit artikel 2 aan op artikel 1 door te vragen naar de middelen waardoor wij God als zodanig kennen. Artikel 2 gaat dus om godskennis. Uit het boek van de natuur leren wij ‘Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid kennen’, waardoor de mens alle verontschuldiging ontnomen is. Anderzijds staat in artikel 2 het boek der natuur niet los van het tweede boek, de Heilige Schrift. Deze boeken kunnen niet los van elkaar gelezen worden, en ze kunnen elkaar zeker niet tegenspreken. De Brès gaf geen carte blanche

aan de natuurwetenschappen, zodat een evolutietheorie ons kennis over God zou verschaffen die ons in de Schrift niet gegeven wordt. Het lijkt me ook aanvechtbaar dat De Brès gesuggereerd zou hebben dat we de Bijbel voor de zaligheid ontvangen en de andere kennis uit de wetenschappen opdoen.

Artikel 2 leert ons dat we het boek der natuur en de Bijbel sámen moeten lezen. De seculiere wetenschap heeft het eerste boek helemaal losgemaakt van het tweede. De vraag is of dát in Baambrugge gebeurde. Met als gevolg dat er voor theologen niets anders op schijnt te zitten dan in hun uitleg van het tweede boek de uitleggers van het eerste boek te volgen. Terwijl De Brès het omgekeerde bedoeld zal hebben. Ik pleit er daarom ook voor om uit artikel 2 meer apologetische en missionaire uitdaging te putten dan natuurwetenschappelijke.

Wetenschap

In Baambrugge gebeurde het. Prof. Van den Brink wilde niet eigenwijs zijn tegenover zoveel bètageweld. Hoezeer ik dit meevoel, het verbaast me juist bij iemand als hij: gewend om zijn nek uit te steken, prikkelende dingen te zeggen, sterk gemotiveerd tot apologetiek. Allereerst zou ik tegen hem willen zeggen: u bent óók wetenschapper! De theologie blaast haar eigen partij mee in het gesprek van de wetenschappen. Theologen zijn geen Calimero’s. Wetenschappers die zo tegen theologen aankijken, hebben hun wetenschappelijke houding bij voorbaat verloren.

Niet dat ík alles weet. De Heilige Geest zal ons niet alle verborgenheden openbaren. Terecht stelt Van den Brink mij de vraag wat ik dan tegen de Baambruggers had gezegd. Allereerst is het voor mij als theoloog niet of slechts ten dele mogelijk om (natuur)wetenschappelijke theorieën te toetsen. Laten biologen de evolutiebiologie toetsen, en geologen de evolutiegeologie enzovoort. Dat is wetenschappelijk, zeker als men zich bewust is van de rol van eigen vooronderstellingen en interpretaties. Daarom verbaast het mij dat in Baambrugge geen tegenstemmen te horen waren. De evolutietheorie wordt wereldwijd lang niet door alle bètawetenschappers aanvaard en kent nog heel wat onopgeloste vragen.

Bevragen

Mijn eigen inbreng zou vooral bestaan in het bevragen van de status van de zogenaamde gevestigde kennis. De evolutietheorie kan wetenschappelijk gezien nooit onder gevestigde kennis vallen – tenzij je de definities van wetenschappelijke, gevestigde kennis, sterk oprekt. Een theorie is altijd voor discussie en alternatieven vatbaar. Zo heeft de evolutietheorie zelf een enorme omslag gemaakt toen in de jaren ’60 de theorie van de oerknal werd gelanceerd. Tot die tijd ging men uit van eeuwige materie. Wanneer kun je dan echt spreken over gevestigde kennis? Kún je het wel echt kennis noemen als je theorie voor een groot deel bestaat uit aannames? Aannemelijkheid en waarheid zijn niet identiek. Een trui met gaten zou ik dus ook niet aan willen trekken, tenzij voor een sponsorloop. Gaten in truien hebben nooit de neiging vanzelf te dichten, wel om almaar groter te worden, totdat de trui uiteenvalt.

Ik ben het daarom helemaal met Van den Brink eens dat de eigenlijke strijd der geesten zich daar afspeelt waar de wetenschap haar grenzen overschrijdt of ons in verzoeking brengt om onze eigen grenzen te verleggen. In de evolutietheorie zit dan ook meer geloof en levensbeschouwing verpakt dan men wil toegeven. Daarom heb ik in mijn vorige artikel welgemeend gepleit voor voortgaande bezinning en gesprek, waarin (zoals het echte wetenschappers betaamt) ook ruimte is voor tegenstemmen.

Ten slotte: als ik in Baambrugge had gezegd dat God in zes dagen hemel en aarde geschapen heeft, had niemand kunnen antwoorden dat ik onzin had uitgesproken. Zelfs geen wetenschappelijke onzin. Maar dan had ik ook graag met anderen het troostlied van Jesaja 40:12-31 gezongen.

A.J. Mensink

Ds. A.J. Mensink reageert op het artikel ‘Lijn van geleide evolutie’ van dr. G. van den Brink in ‘De Waarheidsvriend’ van 16 april. Het eerste deel van dit drieluik verscheen op 20 maart.