Gemeente en ambt

Wat verwacht wordt van een ambtsdrager weet lang niet iedereen. En hoe het werk van ambtsdragers zich verhoudt tot de leden van de gemeente is voor velen niet duidelijk. De invulling van het ambt roept vragen op.

Om de bezinning hierover te stimuleren heeft de Gereformeerde Bond nu het jaarthema ‘Gemeente en ambt’. In 2014 heeft bij de Gereformeerde Bond het thema ‘Horig en mondig’ centraal gestaan. Bij die woorden hebben we vooral gedacht aan de gehoorzaamheid aan God en Zijn Woord.

We hebben die gehoorzaamheid op het oog, waartoe de gehele gemeente vanuit de Bijbel steeds weer wordt opgeroepen. Het maakt daarbij geen verschil of iemand man of vrouw is, ambtsdrager of gemeentelid, jongere of oudere. Het refrein van preken, pastorale gesprekken en catechese luidt: ‘Word vervuld met de Heilige Geest en laat je leven in al zijn facetten gericht zijn op Jezus Christus als Heiland en Heere.’

Bij het bezigzijn met het thema ‘horig en mondig’ dienden de vragen voor het nieuwe jaarthema ‘Gemeente en ambt’ zich op een natuurlijke wijze reeds aan. Enerzijds botst de oproep tot bekering op de weerbarstigheid van het hart en de mondigheid van gemeenteleden; anderzijds is er veel onduidelijkheid over wat er verwacht wordt van een ambtsdrager en hoe het werk van de ambtsdragers zich verhoudt tot de leden van de gemeente.

Gemeente

Laat ik enkele situaties schetsen. De kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland stelt: ‘Om de gemeente bij het heil te bepalen en bij haar roeping in de wereld te bewaren is van Christuswege het openbare ambt van Woord en Sacrament gegeven’ (art.V-1). Van een kerkenraad mag je verwachten dat zij hieraan gestalte geeft.

Een gemeente kan echter in een situatie terechtkomen waarin zij niet meer beantwoordt aan deze hoge roeping. Er kan een situatie ontstaan, waarbij een gemeente dreigt af te zakken naar het peil van een gezelligheidsvereniging. Hoog in het vaandel staat dat alles vooral aantrekkelijk en leuk moet zijn. Vervolgens kan een gemeente haar ogen sluiten voor de omgeving waarin zij zich bevindt. Zij dreigt dan een gesloten bolwerk te worden waarin de evangelische gastvrijheid ver te zoeken is.

Ten derde dreigt een gemeente een geheim genootschap te worden wanneer anno 2015 voornamelijk de taal van enkele eeuwen geleden gesproken wordt. De leden van de gemeente kunnen ten vierde ook als los zand aan elkaar hangen. De gemeente verwordt tot een optelsom van stromingen, waarbij men geestelijk aan elkaar voorbij leeft.

Ten slotte beantwoordt een gemeente niet langer aan haar hoge roeping wanneer de eenheid van de gemeente wordt verbroken omdat er voor jongeren en hun beleving nauwelijks plaats is.

Gevoelige thematiek

Hoe vindt een ambtsdrager in zo’n situatie de juiste toon? Hoe aanvaarden gemeenteleden dat zij vermaand of gecorrigeerd worden wanneer hun ambtsdragers ervan overtuigd zijn dat dat nodig is? In een tijd waarin gezag – en dus ook ambtelijk gezag – aan erosie onderhevig is, richten we onze aandacht op wat de gemeente is en wat het ambt inhoudt. In het verlengde daarvan ligt de vraag hoe deze twee zich tot elkaar verhouden. Bij de beantwoording van deze vragen ligt het zwaartepunt bij de bijbelse gegevens.

Welk beeld krijgen we in de Schrift van de gemeente? Hoe spreekt de Bijbel over ambt en ambtsdragers? In welke verhouding staan gemeenteleden en ambtsdragers tot elkaar?

We betreden een uitermate breed terrein en zullen al spoedig tot de ontdekking komen dat we te maken hebben met een gevoelige thematiek. We zetten in met een bijbels-theologische oriëntatie, maar zodra we daarmee bezig zijn, dienen zich kerkordelijke, dogmatische en praktisch-theologische vragen aan – om nog maar te zwijgen over de vragen op oecumenisch terrein, waar kerken van het episcopale type (zoals de Rooms-Katholieke Kerk en Anglicaanse Kerk) staan tegenover kerken van het presbyteriale type.

Ik teken daarbij aan dat binnen de Protestantse Kerk stemmen klinken die een protestantse bisschop bepleiten.

Wanneer we ons realiseren hoeveel bekwame theologen zich in de vorige eeuw hebben beziggehouden met de ambtstheologie en hoeveel energie de Wereldraad van Kerken in deze thematiek heeft gestoken, maakt dat onze pretenties bescheiden en proberen we, staande op de schouders van degenen die voor ons getheologiseerd hebben, verder te denken. De bezinning op het thema ‘Gemeente en ambt’ dient immers dienstbaar te zijn aan de praktijk van het kerkelijk en gemeentelijk leven anno 2015.

Verlegenheid

In zijn boek Theologische praxis, dat prof.dr. H. Jonker publiceerde in het jaar waarin ik begon met mijn studie theologie in Utrecht (1983), gaat hij vanzelfsprekend in op het ambt en de visie op het ambt. Hij spreekt van een ‘synodale verlegenheid’ en laat zien hoe de visies van de hoogleraren Van Ruler en Berkhof tegenover elkaar staan.

Bij het ambt denkt het rapport-Berkhof vooral aan de gemeente.

Het rapport-commissie-Van Ruler denkt primair aan de ‘missio Dei’, aan de Waarheidsverwerkelijking van Gods heilsopenbaring. God neemt daarvoor mensen in dienst, die Hij roept en uitzendt door middel van de gemeente. Het ambt heeft hier een zelfstandiger positie tegenover de gemeente.

Spanningsveld

Ondertussen is bijna een halve eeuw verstreken. De vragen en verlegenheid zijn niet minder geworden. In 1999 publiceerde prof.dr. C. Graafland Gedachten over het ambt. Och, of al het volk des HEEREN profeten waren…!

Zoals we ons hem herinneren, verbaast het niet dat hij een spanningsveld constateert: enerzijds wordt er hoog opgegeven over het ambt; er wordt veel gezag aan toegekend. Anderzijds: het samenbindende gezag van het ambt blijkt meer en meer teloor te gaan.

In 2006 en 2007 sprak de synode van de Protestantse Kerk over het ambt naar aanleiding van de nota’s ‘Pastor in beweging’ en ‘Werk in de wijngaard’. Kritiek op rapporten was dat de ambtstheologische bezinning gemist werd.

Het decembernummer 2013 van Theologia Reformata was een themanummer over het ambt. De collega’s M.C. Batenburg en M. van Dam hadden de redactie enkele indringende vragen voorgelegd met betrekking tot

- de ambtsbeleving (toename van het functionele denken; wel beschikbaar zijn voor een taak, maar niet voor een ambt)

- het ambt en bevoegdheden (academisch gevormde predikanten en hbo-theologen)

- het ambt, de ambtelijke vergadering en de verhouding tot werkgroepen in de gemeente

- een nieuwe bijbels-theologische bezinning op het ambt in de context van vandaag.

Bemoediging

We starten onze verkenningen in een tijd die zich kenmerkt door een vermindering van het ambtsbesef aan de kant van ambtsdragers en een vermindering van ambtserkenning van de kant van gemeenteleden en niet minder van de samenleving waar we allen deel van uitmaken.

Toen tijdens het nadenken over de ambtstheologie de vragen, spanningsvelden, onzekerheden, gevoelens van crisis enzovoort zich alleen maar leken op te stapelen, heb ik woorden van dr. Wentsel als een bemoediging en wenkend perspectief ervaren: ‘Waar verwachtingsvolle gelovigen aanhoudend bidden, waar het pastoraat zorgvuldig wordt uitgeoefend, waar de verkondiging overtuiging uitstraalt, waar kerkelijke vergaderingen een wijs beleid voeren, en waar een veelkleurige en aansprekende liturgie de kerkgangers bezielt, kan het niet anders dan dat ambt en ambtelijk instituut weer in de achting van binnen- en buitenstaanders gaan stijgen’ (Dogmatiek deel 4b, p.555v). We mogen van de Heilige Geest, Die uitgaat van de Vader en de Zoon, grote dingen verwachten.

Bijbels-theologisch

Dr. O. Noordmans heeft ooit al gewaarschuwd voor fundamentalisme waar het gaat om het afleiden van een kerkorde uit de Schrift: ‘Men kan maar niet een wandeling gaan maken door de gemeenten, een paar tientallen jaren na Jezus’ hemelvaart, en dan verslag uitbrengen van wat men gezien heeft. Op deze manier bijvoorbeeld: In Jeruzalem heb ik ouderlingen gezien en in Filippi een opziener en diaken enzovoort, en wij weten genoeg om een kerkorde samen te stellen; de één een episcopale en de ander een presbyteriale.’

Vanuit de belijdenis van het tota Scriptura nemen we niet het Nieuwe Testament als vertrekpunt voor onze verkenningen, maar beginnen we met enkele lijnen die we in het Oude Testament vinden.

Oude Testament

In het boek Genesis valt het op hoe direct de omgang tussen God en Zijn mensen verloopt. Eén man hoort in Ur de stem van God, gehoorzaamt aan die stem en gaat met alles wat hij heeft op reis naar het land dat God hem zal wijzen. Daar aangekomen heeft hij geen bemiddeling van een priester nodig om een offer te brengen.

Ook wanneer het volk talrijk is geworden, blijft iets van deze lijn zichtbaar. In Exodus 19:6 lezen we: ‘U dan, u zult voor Mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn.’

Dr. Graafland heeft zijn studie over het ambt een ander woord van de HEERE als ondertitel meegegeven: ‘Och, of al het volk des HEEREN profeten waren…!’ (Num.11:29). Israël staat rechtstreeks onder de zeggenschap van de HEERE. Zoals blijkt uit Deuteronomium 6 zijn de vaders direct verantwoordelijk voor de godsdienstige opvoeding van hun kinderen. Wie een offer brengt, slacht zelf het dier, waarna de priester het bloed voor Gods aangezicht brengt.

Hoe zijn de gezinnen en families met elkaar verbonden? Is er sprake van een instantie die leiding aan hen geeft en een vorm van organisatie bewaakt? In Exodus ontmoeten we de ‘oudsten van Israël’. Mozes moet in hoofdstuk 3 de oudsten verzamelen om hen te zeggen dat God aan hem verschenen is bij Horeb. Daar heeft hij de opdracht gekregen samen met de oudsten naar de Farao te gaan.

Ook in het Nieuwe Testament komen we de oudsten al in een vroeg stadium tegen. We lezen echter niets over de instelling van het ambt van oudste of presbyter. De reden zou kunnen zijn dat het ambt van oudste vanuit het jodendom zo vanzelfsprekend is geweest, dat het terstond in de gemeente erkend is als wettig ambt.

Oerambt

Een aparte plaats neemt Mozes in, die een oerambt bekleedt. Ik citeer Wentsel (4b, 563): ‘als in een maggiblokje zijn in hem de ingrediënten voor het ambt geconcentreerd; hij is volksbevrijder en volksleider, wetgever en rechter, president en ombudsman, vriend Gods en Middelaar tussen de Heilige en zijn koppige volk, representant Gods tegenover zijn volk en de buitenstaanders’.

In zijn roeping zien we terug wat alle profeten, apostelen en dienaren van Christus bij hun roeping ervaren hebben: de roeping van Godswege – de innerlijke overtuiging – Gods representant worden en ten slotte de toerusting met de gaven van de Geest.

W.H.Th. Moehn

Dr. W.H.Th. Moehn is predikant van de hervormde wijkgemeente Centrum van de protestantse gemeente te Hilversum.