George Whitefield, begaafd openluchtprediker

Op 30 september 1770 overleed George Whitefield. Hij was een van de grootste predikers in de geschiedenis van de kerk. Zijn optreden viel samen met een geestelijke opwekking, die als een lopend vuur door Engeland en Amerika trok.

Dat zijn goede redenen om 250 jaar later aandacht voor deze Engelse prediker te vragen. In het eerste artikel sta ik stil bij zijn leven en werk, het tweede zal ingaan op zijn betekenis voor nu. 

In de schaduw

Whitefield is minder bekend geworden dan zijn tijdgenoot en medeprediker John Wesley (1703-1791). Terwijl Wesleys werken al meerdere keren zijn uitgegeven, ontbreekt tot op vandaag nog steeds een editie van Whitefields complete geschriften. De voornaamste reden hiervan is dat Wesley een hele beweging van predikers organiseerde, die Methodists werden genoemd. Deze beweging groeide uit tot een kerkelijke denominatie, met in onze tijd een ledenaantal van ongeveer 25 miljoen. Whitefield echter hield zich niet zo bezig met organisatie en heeft zijn hele leven aan de Woordverkondiging gewijd. 

Matte tijd

De Engelse bisschop J.C. Ryle (1816-1900) wijst in zijn boek over belangrijke geestelijke leiders van de achttiende eeuw op de zorgelijke situatie van kerk en samenleving in die periode. Er was sprake van een geestelijke slaperigheid of matheid. Bestaande kerken – of ze in meer moderne richting koersten of orthodox bleven – straalden weinig uit. Daarnaast kwam de moderne twijfel op aan de betrouwbaarheid van de Bijbel, aan het gebeuren van wonderen en aan andere kernnoties van het Evangelie, zoals de unieke betekenis van Christus’ kruisoffer.

Verder namen allerlei zondige praktijken in de samenleving sterk toe, zoals overspel, gokken, zweren, zondagsontheiliging en dronkenschap. Bovendien gingen al te veel kerkelijke ambtsdragers niet voor in een christelijke levenswandel, maar vielen ze op door hun ambtelijke zakelijkheid, wereldgelijkvormigheid en gebrek aan bewogen ijver om het Evangelie bij de mensen te brengen. 

Jeugd en bekering

George Whitefield was van eenvoudige afkomst. Hij groeide op in een herberg en verloor zijn vader al op jonge leeftijd, waarna zijn moeder het werk overnam. Toen George naar de middelbare school ging, kwam een kwaliteit aan het licht die in zijn verdere leven grote betekenis zou krijgen: hij had acteertalent en speelde graag in toneelstukken. Zijn latere prediking zou mede zoveel aantrekkingskracht op grote massa’s mensen krijgen door zijn vloeiende en krachtige stem, maar ook door de grote levendigheid van zijn verkondiging. Whitefield is er een sprekend voorbeeld van hoe God natuurlijke gaven kan inzetten voor de dienst in Zijn Koninkrijk.

De bekering die Whitefield in zijn studententijd meemaakte, leek in zekere zin op die van de hervormer Luther. Whitefield dacht dat een leven van goeddoen onmisbaar was voor zijn behoud, maar na het lezen van een Schots puriteins werk ontdekte hij dat hij het geloof in Christus en innerlijke vernieuwing miste. Toen hij in 1735 een ziekteperiode meemaakte, kwam hij in een geestelijke crisis terecht. Die liep via de overtuiging van zonde uit op de vreugde in Christus.

Whitefield zag het christenzijn vanaf die tijd allereerst als een innerlijke vernieuwing, die vervolgens zichtbaar wordt in de dagelijkse levenspraktijk. Dat zou doorklinken in zijn prediking, waarin hij indringend opriep tot bekering en verkondigde dat wedergeboorte en geloof in Christus de mens fundamenteel en beslissend veranderen.

Gebroeders Wesley

Toen Whitefield naar Oxford trok voor de studie theologie, leerde hij daar de gebroeders John en Charles Wesley kennen. George kwam onder de indruk van hun geestelijke toewijding en strikte levenspraktijk, waarna hij met hen en enkele anderen de Holy club vormde, ook wel Methodists genoemd. Deze termen gaven aan hoezeer ze onder medestudenten opvielen door hun dagelijkse praktijk van bijbelstudie, gebed, meditatie, zingen en het lezen van geestelijke lectuur, maar ook door hun strikte levensstijl. Regelmatig vasten en de afwijzing van allerlei zonden gingen hierbij samen met hun aandacht voor barmhartigheid, zoals het bezoeken van gevangenen.

Hoewel George, John en Charles na hun bekering nauw betrokken raakten bij een opwekking en de vorming van methodistische groepen, kwam hun geestelijke relatie onder spanning te staan. Toen John zich ging verzetten tegen de leer van Gods verkiezing en bovendien stelde dat gelovigen een bepaalde mate van volmaaktheid konden bereiken, protesteerde Whitefield. Hij benadrukte het gereformeerde spoor van Gods vrije genade, zowel in het komen tot geloof als in het christenleven. Zo groeiden beide opwekkingspredikers uit elkaar, maar toch bleven ze contact houden en elkaar als broeders zien. Na Whitefields dood was het John Wesley die de begrafenispreek hield… 

Opwekking

Whitefield, die was opgegroeid in de Anglicaanse Kerk, begon na zijn bekering en ambtswijding te preken in Engelse kerken. Daar viel hij al vlug op door zijn indringende verkondiging en trok hij steeds meer mensen. Dat gebeurde eveneens in Noord-Amerika, waar hij in 1737 voor het eerst heentrok en dat hij daarna regelmatig zou bezoeken. Hij stichtte een weeshuis in Savannah (Georgia), kreeg goede contacten met Jonathan Edwards (1703-1758), en bleef de rest van zijn leven sterk betrokken op wat er aan de overkant van de Atlantische oceaan gebeurde.

Whitefields populariteit was na zijn terugkeer in Engeland in 1739 alleen maar gegroeid. Tegelijk kreeg hij van anglicaanse geestelijken scherpe kritiek vanwege zijn preekstijl en zijn aandacht voor geestelijke ervaring. Omdat er vrees bestond voor geestdrijverij, werden steeds meer preekstoelen voor hem gesloten.

Deze kerkelijke reactie maakte van Whitefield een evangelist, want hij begon in de openlucht te preken en bereikte daarmee duizenden hoorders, met name in steden als Gloucester, Bristol en Londen. Zijn prediking maakte diepe indruk, zoals onder de mijnwerkers in Kingswood, die in zeer grote aantallen kwamen luisteren. Whitefield schrijft hierover dat hij op sommige zwarte gezichten witte strepen ontdekte, veroorzaakt door tranen van berouw en verwondering.

Terwijl de kerkelijke kritiek op zijn openluchtprediking toenam en hij ook met openlijk geweld werd geconfronteerd, geloofde Whitefield ‘dat er een vuur in het land was aangestoken dat door geen duivel kon worden gedoofd’. Hij wist zich op een bijzondere manier geleid door de Heilige Geest.

Latere leven

Whitefields latere leven stond in het teken van de talloze keren dat hij het Evangelie op vele plaatsen en voor meestal grote menigten verkondigde. Hij bleef dat onvermoeibaar doen, met name in Engeland en Noord-Amerika, maar ook in Schotland. Terwijl hij in de eerste jaren voor het gewone volk preekte, kreeg hij later ingang in Britse aristocratische kringen, met name via zijn geestelijke contacten met Selina Hastings, gravin van Huntingdon.

Opvallend is dat Whitefield in zijn verdere leven op allerlei terreinen milder werd. Eerder kon hij soms scherp oordelen over de geestelijke staat van ambtsdragers in de Anglicaanse Kerk, die in zijn ogen veel meer kerkelijke functionarissen waren dan gedreven predikers. Maar toen hij ouder werd, onthield hij zich van zulke uitspraken en zocht hij naar verbinding met geestverwanten in diverse kerkelijke denominaties.

Het is niet verrassend dat Whitefields intensieve leven van onophoudelijk rondtrekken met het Evangelie al vroeg eindigde. Op 30 september 1770 overleed hij tijdens een nieuwe rondreis in Noord-Amerika op de leeftijd van 56 jaar. 

Verlangen

Met George Whitefield begon de openluchtprediking en de geestelijke opwekking van de achttiende eeuw. Hij werd de vader van het zogenaamde calvinistische methodisme, dat in de Engelstalige wereld aanzienlijke invloed heeft uitgeoefend. Zijn boodschap van wedergeboorte en geloof in Christus zou ook in latere tijden blijven doorklinken.

Intussen is er in de huidige methodistische kerken op veel plaatsen een andere geestelijke wind gaan waaien. Maar de krachtige opwekkingsprediking van Whitefield laat zien hoe de Heilige Geest kan werken. De kennismaking met Whitefields leven roept het verlangen op dat het Woord ook in onze tijd geestelijke vernieuwing en verdieping uitwerkt. En dat allereerst via de verkondiging van het Evangelie, in en buiten kerkelijke gemeenten.

Dr. R.W. de Koeijer

Bestel een los nummer, of neem een abonnement op De Waarheidsvriend.