God, de Onvergelijkelijke

God is altijd groter. Hij is altijd groter dan ons denken, altijd groter dan onze woorden. Altijd rijker en heerlijker.

Om het met Augustinus te zeggen: ‘Als je iets begrepen hebt, weet je zeker dat het niet God is.’ Wij weten slechts zoveel als God ons wilde laten zien. 

En toch: hoezeer God ook altijd ‘groter’ is, dat betekent niet dat er onbetrouwbaarheid is in God. Hij is wel altijd groter, maar Hij is niet ánders dan dat Hij Zich in Zijn Woord en in Christus openbaart. Daarom hebben we alle reden om met vrijmoedigheid uit te zeggen wie de Heere is. Maar dan wel bescheiden. Want we kennen ten dele, zelfs samen met alle heiligen.

Wij weten slechts zoveel, als God ons wilde laten zien. Wie God begrijpt, is Hem kwijt. Het is als bij dat jongetje, dat met een emmertje water uit de zee schept en tegen z’n moeder zegt: ‘Mama, dit is de zee.’ Dat mocht-ie willen. Bescheiden moet ons spreken zijn.

Die bescheidenheid heeft overigens niets te maken met het postmoderne denken dat het liefst elke zweem van zekerheid en waarheid problematiseert. Integendeel, op grond van wat God van Zichzelf openbaart, is helderheid geboden. Wij belijden de God Die ís, onvergelijkelijk, maar tegelijk de waarachtige. Die was, Die is en Die komt. 

Aanbidding

Dr. Eric Peels, hoogleraar Oude Testament aan de Theologische Universiteit in Apeldoorn, van wie ik mij in deze thematiek een leerling weet, typeert het als volgt: ‘God is geen abstractie; geen optelsom van eigenschappen; Hij is een Gij.’ Spreken over God vraagt van ons een houding van knielen en beamen, geloven en loven. Een je gedaagd weten tegenover de Heilige Zelf.

Daarom dient ons spreken over God niet alleen bescheiden, maar ook betrokken te zijn. Dat maakt onze bezinning vandaag existentieel. Slechts in verwondering en in aanbidding, bescheiden én betrokken, mogen wij uitzeggen wie God is. Wie is als Gij?

Ondertussen belijden we de Heilige God als ónze God. Heilig is de Heere. Dat is de God van het verbond. Dat is de grote ‘Ik ben, Die Ik ben’, van Wie we zingen met Psalm 48: Deze God is onze God. Maar we vragen vandaag wel: ‘Welke God is dat dan? Hijzelf getuigt in Hosea 11: ‘Want Ik ben God en geen mens, de Heilige, in uw midden.’

Openbaring

Als God de Heilige is, rijst ook de vraag hoe het kan dat wij over God spreken en preken. Dat is alleen mogelijk omdat de Heilige Zichzelf openbaart. 

Dit te zeggen lijkt een open deur, maar het is beslist nodig hierbij stil te staan. Immers, wij kunnen uiteindelijk geen zinnig woord over God zeggen, als wij niet eerst hebben leren luisteren naar wat Hij over Zichzelf tot ons zegt. Hij heeft het éérste en het láátste woord. Hij is de Eeuwige. Dat is bij uitstek wat Zijn heiligheid uitmaakt, Zijn totaal anders zijn. Hij is de volstrekt ‘onvergelijkelijke’. Hij openbaart Zichzelf.

God heeft ervoor gekozen om iets van Zichzelf kenbaar te maken in Zijn schepping. Maar ‘nog duidelijker en volkomener in de Heilige Schrift’, zo klinkt het in de Nederlandse Geloofsbelijdenis. En dat ‘volkomener’ betekent dan in geen geval dat we God daarmee in onze vingers krijgen. Integendeel, het gaat er bij die volkomenheid om dat God Zich ‘zóveel’ openbaart, ‘als voor ons nodig is in dit leven, tot Zijn eer en de zaligheid van de Zijnen’. En dat is nodig, omdat de mens van nature ‘de waarheid in ongerechtigheid ten onder houdt’.

We hebben te rekenen met de werkelijkheid en de noodzaak van Gods openbaring (het komt van de andere kant), maar tegelijk met de beperktheid daarvan. Niet beperkt in die zin dat het te weinig is, maar wel zo dat we God slechts kunnen kennen en belijden voor zover Hij Zich doet kennen. 

Steeds rijker

Wie de vraag ‘wie God is’ wil beantwoorden in het licht van onze menselijke ervaringen, die komt een lange reeks menselijke godsbeelden tegen zonder enige vorm van zekerheid. Radicaal daartegenover staat echter de God Die Zich openbaart, in de natuur, maar nog heerlijker in Zijn Woord. Hij doet Zich kennen in het aangezicht van Jezus Christus, Die het Beeld van de onzienlijke God genoemd wordt.

Dat te belijden kan enkel en alleen in verwondering. Niet wij hoeven moeizaam in te dringen in een wereld waar God ‘woont’. Niet wij hoeven te formuleren of te concluderen. Integendeel: God komt vanuit Zijn wereld naar ons toe. Kennis van God is geen prestatie van ons, maar gratie van God.

Wie daarbij recht wil doen aan het geschakeerde tekstgetuigenis van de Heilige Schrift, moet rekening houden met het historische karakter van de Bijbel. Er is sprake van voortgang in de openbaringsgeschiedenis. God is en blijft Dezelfde, maar doet Zich wel steeds meer en steeds rijker kennen. Het is daarom niet juist om te zeggen dat Jeremia God beterkende dan Noach, maar wat ons over God bij Jeremia wordt geopenbaard, is ten opzichte van de tijd van Noach wel verdiept. Dat is wat we onder meer bedoelen met de openbaringsgeschiedenis. 

Heilsplan

Daarnaast hebben we te rekenen met de heilsgeschiedenis: God Die Zijn bijzondere weg gaat met Israël en met de volkeren om Zijn volk te redden. Omdat God ook vandaag bezig is met het volvoeren van Zijn heilsplan, staat ons spreken over God en over Gods handelen in de spanning van het ‘reeds’ van het in Christus gekomen Koninkrijk, en tegelijk het ‘nog niet’ van datzelfde Rijk dat eens volkomen zal worden geopenbaard.

Dit alles betekent ook dat je vanuit de Bijbel voorzichtig moet zijn met een leeraangaande God. Wij kunnen en mogen God niet objectiveren. Ons spreken over Hem zal altijd moeten zijn in de vorm van de doxologie, gelovig belijden en met diep ontzag nazeggen wat God van Zichzelf heeft geopenbaard.

Actief present

Daarbij moeten we bedenken dat de Heilige Zichzelf openbaart als de sprekende en handelende God, en wel in de concrete omgang met mensen. Zo is bijvoorbeeld de machtige Godsopenbaring in Exodus 3 heel direct verbonden met de roeping van Mozes en met de verlossing van Israël. We kunnen ook denken aan de wijze waarop God Zich ultiem in Christus openbaart, waardoor de Heilige ‘onder ons’ heeft gewoond.

In die zin spreken we dus ook niet over ‘het Heilige’ en al evenmin over een vaag ‘Opperwezen’, maar belijden we Hem als ‘de Heilige’, die actief present is in Zijn wereld en in de levens van mensen. Hij is dat in Christus en door Zijn Heilige Geest.

Spreken over ‘de Heilige’ betekent dan ook ‘luisteren’. Een actieve luister- en leerhouding is de enige weg om belijdend over de Heilige God te spreken. Het is ‘amen zeggen’ op wat God over Zichzelf zegt.

Daarmee is dan tegelijk gezegd dat ware theologiebeoefening gelegen is in het kennen van God, zoals Hij Zich in Zijn Woord heeft geopenbaard.

Heilig in Zijn wezen

Vervolgens wil ik inzoomen op het eigene van de heiligheid van God. God is heilig in Zijn wezen. Met dat ‘wezen’ van God bedoel ik niet hetzelfde als wat in een vaag verlichtingsdenken wordt geduid als het ‘Opperwezen’.

Als God ‘heilig is in Zijn wezen’, betekent dat dat Zijn heiligheid wezenlijk, intrinsiek met Hem gegeven is. Zeg je God, dan zeg je heilig. God gedraagt Zich niet alleen heilig, God toont Zich niet alleen heilig, maar Hij is de Heilige.

En juist dat, dat Hij de Heilige ís, maakt God volstrekt onvergelijkelijk met wat of wie dan ook. Bij tal van aanduidingen die we in de Schriften vinden om te zeggen wie God is, zijn er analogieën te bedenken. Of het nu gaat om de God Die liefheeft of om de God Die toornt, om Zijn barmhartigheid of Zijn rechtvaardigheid, op allerlei manieren trekt ook de Bijbel zelf lijnen naar mensen of situaties die daar iets van uitbeelden.

Maar als het gaat om Gods heiligheid, dan is dat volstrekt onvergelijkbaar. Juist daarin blinkt Gods eigenheid uit. God is heilig in alles wat Hij is en wat Hij doet. Waarmee tegelijk ook heel veel is gezegd over al die andere eigenschappen, of liever: volkomenheden van God. Gods liefde is heilige liefde. En de toorn van God is heilige toorn. 

Geen mens

Het is in dat licht dat ik woorden uit het hart van het Oude Testament naar voren breng. In Hosea 11:9, het middelste deel, klinkt het: ‘Want Ik ben God en geen mens, de Heilige...’

God en géén mens. Een mens is sterfelijk, God is eeuwig. Een mens is schepsel, God is Schepper. Een mens is snel moe, God sluimert of slaapt nooit. Een mens is in alle opzichten beperkt, God is in alle opzichten volkomen.

Een mens… en God.

J.J. ten Brinke