Het werk van de Geest

Verbaast het ons als we horen dat in hervormd-gereformeerde preken de aandacht voor het werk van de Heilige Geest afgenomen is?

Is het niet te stil geworden, als het gaat om de Geest en Zijn werk? Daarom: Wij geloven in de Heilige Geest, Die Heere is en levend maakt. 

Wat zou onder ons de meest gebruikte intredetekst zijn? Ik vermoed dat 1 Korinthe 2:2 een grote kans maakt: ‘Want ik had mij voorgenomen niets anders onder u te weten dan Jezus Christus, en Die gekruisigd’. Hij is immers het fundament en het hart van het heil dat wij mogen verkondigen. Wie anders? 

Trinitarisch

Toch blijft het een spannende vraag hoe de woorden ‘niet anders dan Jezus Christus en Die gekruisigd’ zich verhouden tot het gegeven dat onze prediking trinitarisch (vanuit de drie-eenheid, red.) dient te zijn. Je kunt sowieso niet doen alsof Paulus het over niets anders wilde hebben, want dan had hij met dit vers een punt achter de hele brief kunnen zetten. Dan hoefde hij het niet te hebben over de opstanding, het avondmaal, het huwelijk, de gaven van de Heilige Geest.

We kunnen daarom beter zeggen dat Paulus met deze bekende woorden een boekje opendoet over de structuur van zijn prediking, over de kruisvorm ervan. Want Paulus’ prediking en brieven zelf zijn bepaald niet christomonistisch (Christus alleen, red.) – ze spreken in alle toonaarden over de verkiezende liefde van de Vader, over de verzoenende liefde van de Zoon en over de vernieuwende liefde van de Heilige Geest. Zulke trinitarische prediking voedt op zijn beurt een trinitarische geloofsbeleving. In deze bijdrage vraag ik met name aandacht voor de verkondiging van het werk van de Heilige Geest. 

Twee bewegingen

Als ik achteromkijk, zie ik twee bewegingen. De eerste beweging heeft te maken met de cultuur sinds de jaren negentig. Deze cultuur werd meer en meer gestempeld door gevoel en ervaring, vooral individueel gevoel en individuele ervaring. Daarin zagen we een kans, een aanspreekpunt voor de communicatie van het Evangelie: de Heilige Geest geeft óók ervaring, Gódservaring. Zelfs met gereformeerde bevinding meenden we een adequate communicatie te kunnen krijgen. Daarbij hebben we ons, in ieder geval aan één kant, met evangelisch denken verzwagerd.

Opmerkelijk is echter een tweede beweging, een tegenovergestelde beweging. In de brochure van de Gereformeerde Bond over de prediking uit 2016, ‘Instrument van de Geest’, constateren de schrijvers na grondig onderzoek dat in hervormd-gereformeerde preken de aandacht voor het werk van de Heilige Geest in vijftig jaar is áfgenomen.

Stil geworden?

Verbaast ons dat? En hoe zou dat komen? Komt het door vertraagde maar toenemende invloed van de Zwitserse theoloog Karl Barth, een objectiverende prediking, een aanzegging van het heil, ‘alleen Jezus Christus en Die gekruisigd’? Komt dat omdat we ook met dat meer evangelische denken en zingen van de wal in de sloot zijn geraakt; dat het allemaal niet zo eenvoudig is als dat het klinkt; dat ook in een gevoelsmens meer vijandschap tegen God woont dan je zou vermoeden?

Of komt het, heel eerlijk gezegd, omdat we de Heilige Geest Zélf missen; omdat we zélf met meer geesteloosheid worstelen dan onze gemeenteleden denken en weten? Is het niet stil geworden, té stil, als het gaat om de Heilige Geest en Zijn werk? En is het vreemd dat de charismatische theologie juist nu verbinding begint te zoeken met gereformeerde theologie, of andersom? 

Wat de Geest dóet

Te midden van al deze vragen zou ik opnieuw de ontdekking willen doen dat het werk van de Heilige Geest tot het kerygma (het Griekse woord voor verkondiging, red.) behoort, tot het hart van de christelijke verkondiging. Het zaligmakende werk van God is niet alleen een werk van Christus. De Heere verkóndigt niet alleen het werk van Christus, maar wint ook ín voor het werk van Christus. De toe-eigening van wat wij in Christus hebben, door geloof en bekering, is weliswaar roeping en verantwoordelijkheid van de horende mens – maar is ten minste zoveel gave en belofte van de sprekende God. Het is bijbels om jezelf en je hoorders te vragen wat wij doen met het verkondigde Woord – maar het is minstens zo bijbels om te horen wat de Heilige Geest doet met het heil dat God ons nu deed verkonden. Ik zeg nadrukkelijk: ‘wat de Heilige Geest dóet’. Wat de Heilige Geest moet doen, of kan doen, of wil doen – dat is geen kerygma; dat is een aanzegging met een slag om de arm. Waarmee je de slag om het hart niet wint.

De Schrift geeft ons rijk te verkondigen wat de Heilige Geest doet. Is het ons in onze belijdenissen wel eens opgevallen dat zij óók indicatief (aanduidend, red.) spreken over het werk van de Heilige Geest? Neem de Dordtse Leerregels in wat zij schrijven over de wedergeboorte. ‘Wat noch het licht van de natuur, noch de Wet kan doen, dat dóet God door de kracht van de Heilige Geest en door het Woord of de bediening van de verzoening’ (III/IV, 6). Even verderop (III/IV, 11): ‘Hij ópent het gesloten hart, Hij vermúrwt het harde en besnijdt het onbesneden hart’. 

Hij weet raad

De Nederlandse Geloofsbelijdenis doet het niet anders. ‘Om ware kennis van deze grote verborgenheid te verkrijgen, ontsteekt de Heilige Geest in onze harten een oprecht geloof’ (art. 22). Dat geloven wij. Dat geloof preken wij. Dat preken wij vrijmoedig aan geesteloze mensen. Die je kunt oproepen tot alles wat je maar wilt, en die je op hun verantwoordelijkheid kunt wijzen voor alles wat zo noodzakelijk is – maar die er soms zo verschrikkelijk hopeloos van kunnen worden. Zeker als de prediking van het werk van de Heilige Geest wettische trekken krijgt. En dat is niet uitgesloten.

De Heilige Geest geeft ons echter Zijn werk te verkóndigen als bevrijdend Woord en werk. Hij doet wat wij niet kunnen; Hij doet wat wij niet willen; Hij weet raad met het onmogelijkste mensenkind. Zoals Hij ook raad weet met de onmogelijkste dominee en de meest dorre en geesteloze theoloog. 

Praktische prediking

Dat zou ons tegelijk wel eens dicht bij de actualiteit kunnen brengen. Aan den lijve ervaren wij dat de tijd verandert. De context van kerk en gemeente is sterk gewijzigd. Meer en meer ervaren wij dat wij in een wereld leven en preken waarin mensen nul komma nul antenne hebben voor God. En wij vinden hen niet alleen búiten de kerk. Ze zitten onder ons gehoor. We komen gemeenteleden tegen die zeggen: ik leef zes dagen per week onder het vriespunt, zes dagen per week leef en werk ik tussen niet-christenen. Ik geloof in God in een volkomen Godloze wereld. Ik adem in een tijd waarin God volstrekt buiten de orde is geplaatst. Iemand zei een paar jaar geleden tegen me: als ik niet iedere zondagavond met de gemeente het Apostolicum belijd, ben ik het óók kwijt. Geloof ik óók niks meer.

Met eerbied gesproken: God en het geloof in God glippen ook óns uit de vingers. Aan jongeren merk je dat ze angstvallig op zoek zijn of God er überhaupt nog is, en zo ja, waar je Hem dan nog kunt tegenkomen; waar je Hem aan het werk kunt zien. In dat licht luister ik naar vragen om praktische prediking. Die vragen hebben we misschien altijd wat oppervlakkig gevonden, doenerig – en zo kúnnen ze ook functioneren. Alsof er ook geloofsthema’s zijn die niet praktisch zijn… is de verzoening geen praktijkthema, een levensthema? Dat wórdt toch een reëel en actueel thema in de ontmoeting met de levende God?

Wanhoopsvraag

Toch ben ik iets anders in die vraag naar praktische prediking gaan horen. Ik hoor er een wanhoopsvraag in, een noodkreet: hoe kan God en het leven met Hem überhaupt nog een realiteit zijn? Hoe ontsnap ik aan de gedachte dat God in de hemel is en ik op de aarde ben, en dat ik hier maar Vaderziel ronddool, maar mezelf en mijn geloof niet in de benen kan houden? 

*** 

Wij geloven in de Heilige Geest. Die Heere is en levend maakt. Zeg dat als predikant maar eens hardop tegen jezelf. Op straat. Als de leegte je aangrijnst. Als je niets van God te zien krijgt. En als datgene wát er van God te zien valt, vakkundig door de wereld wordt weggemoffeld. Als je op de preekstoel staat. En weet dat er mensen zitten die in hun hart allang afgehaakt zijn; mensen die tot stikkenstoe snakken naar een Woord, een werk van de levende God. Zien we onze hoorders in hun nood, in hun gevecht, in hun onmacht en bij tijden ook in hun onwil? En weten zij zich daarin door ons herkend? 

Versombering noch uitputting

Gezegend is de gemeente die bij de hand wordt genomen in de verkondiging van het werk van de Heilige Geest. Waardoor er ook ruimte komt voor de aanvechting, de strijd op leven en dood, het erop of eronder. Waardoor troost en kracht, genade en wijsheid van God worden uitgedeeld aan uitdrogende zielen. Waardoor de gemeente meegenomen wordt in het vernieuwende, bekerende werk van de Heilige Geest. Is onze belijdenis niet vol van de rijke werking van de Geest van Christus, vol van troost, blijdschap, zekerheid – vol van het ‘nochtans’, niet alleen in het werk van Christus maar ook in het werk van de Heilige Geest?

Prediking van het werk van de Heilige Geest bewaart ons ook voor versombering; niet minder voor uitputting, omdat je zo doodmoe wordt als je alles in eigen kracht moet doen en volhouden.

Met andere woorden: de Heilige Geest weet niet alleen raad met een gevoelscultuur – Hij weet minstens zoveel raad met een verstorven en verstompte cultuur. Hij is Heere en Hij maakt levend.

Hij verbreekt om weer te helen; Hij doodt om weer levend te maken; Hij veroordeelt om weer vrij te spreken; Hij kastijdt om weer te troosten.

Dat dóet Hij. Als in een werkelijke aanwezigheid. Want God is een God van nú. Dat mag de gemeente niet onthouden worden, want dan vergaat zij in smart en rouw. 

Bediening van heerlijkheid

Nu brengt Hij het ons in herinnering. Dat het ambt waartoe Hij Zijn dienstknechten riep, een héérlijk ambt is. ‘Hij heeft ons namelijk bekwaam gemaakt om dienaars van het nieuwe verbond te zijn, niet van de letter, maar van de Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend’ (2 Kor. 3:6). Die bediening van de Geest is een bediening van heerlijkheid.

Kunnen we hoopvoller aan 2019 beginnen? Hoofdstuk III/IV van de Dordtse Leerregels eindigt met diezelfde hoop en aansporing: ‘Want door de vermaningen wordt de genade geschonken en hoe naarstiger wij onze taak vervullen, hoe heerlijker de weldaad van God, die in ons werkt, zich vertoont. Dan gaat Zijn werk het beste voort. Deze God komt alleen alle heerlijkheid toe, zowel vanwege de middelen als de zaligmakende vrucht en kracht ervan, in eeuwigheid. Amen’ (DL III/IV, 17). 

A.J. Mensink