Hoe werkt God nu?

Een stukje houvast kunnen we wel gebruiken. Als de apostel zegt dat Jezus Christus gisteren en heden Dezelfde is en tot in eeuwigheid, dan staat er in ieder geval iets vast.

Voor de rest lijkt alles maar in verwarring te zijn.

Ook de gereformeerde wereld is in verwarring, heeft lange tijd het imago gehad van het allemaal zo zeker te weten. Maar heeft de verwarring ook niet toegeslagen onder gereformeerden en hervormd-gereformeerden, als het gaat om de hermeneutiek? Het afgelopen jaar is er een enorme hermeneutische verlegenheid aan de dag getreden. Hoe lees je de Bijbel? Hoe functioneert het gezag van de Heilige Schrift in het heden, in het leven met de Heere, in de prediking, in de theologie? Hebben we nu last van <i>te veel<p> hermeneutische bezinning of juist van <i>te weinig<p>?

Onveranderlijk

In dat licht vormen de woorden uit Hebreeën 13 een rijke vertroosting. De Heere Christus openbaart Zich daarin als de Onveranderlijke. Analoog aan de geloofsbelijdenis van Athanasius kunnen we daaraan toevoegen: even onveranderlijk als de Zoon is de Vader en is ook de Heilige Geest. De onveranderlijkheid van God is dan ook een van de eerste dingen die we in artikel 1 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis over God belijden. Zo openbaart Hij Zich aan ons in Zijn Woord. De Heilige Schrift legt getuigenis af van Hem Die is, Die was en Die komen zal. Hij is niet anders dan zoals Hij in Zijn Woord ons tegemoet treedt en zal ook geen Andere zijn.

Uit deze oerbelijdenis trek ik twee lijnen. Die twee lijnen zijn ook twee spiegels, die we vooral onszélf voorhouden. 

Gods werk

De eerste spiegel werd mijzelf helder, toen ik me verdiepte in de vragen van de dertigers. Een van de dingen waarmee wij de dertigers nogal eens willen typeren, is hun gebrek aan gevoel voor geschiedenis. Aan tradities hebben ze geen boodschap, het verleden hoeft toch ons heden niet te bepalen? En hoezeer wij tradities steeds uitleggen (en we kúnnen ze ook uitleggen, het zijn verantwoorde tradities!) – we krijgen de dertigers er meestal niet meer warm voor.

Nu kun je een goede discussie over traditie opzetten en duidelijk maken dat geen mens zonder traditie kan en is, maar daarmee heb je veel dertigers niet overtuigd. Naast het feit dat ik daar zorg om kan hebben, is één vraag van de dertigers me heel diep in het hart geslagen. Waar ik dacht dat hun vraag was: ‘Hoe leef ik met God in deze tijd?’ zeiden zij zelf: onze vraag is: ‘Hoe wérkt God in deze tijd’? De dertigers (en een veel groter deel van de gemeente die ’s zondags voor ons zit) leggen daarmee een brandende kwestie op tafel: de vraag naar de realiteit en het werk van de levende God nú. Waar zie ik Hem aan het werk in deze wereld, in de kerk, in mijn eigen leven? Langs welke wegen beweegt Zich Gods werk? 

Vroeger

Toen ik die vraag op me liet inwerken, dacht ik: het zal toch niet waar zijn dat ik in mijn verkondiging de indruk wek dat zij moeten geloven in een God van vroeger? Hoe komt het dat veel mensen (en niet alleen jongeren) bij de kerk al gauw de gedachte hebben: dat is oud, iets van vroeger? Want de tradities zijn van vroeger, de catechismus is van vroeger, de dominees stammen uit een andere eeuw, en de Bijbel…ja, die is ook van vroeger. En God…? Is Hij ook van vroeger? En moet ik zo in Hem geloven? Maar hoe is Hij dan een levende werkelijkheid nú?

Bedoelt de apostel dát? Dat Jezus Christus vandaag Dezelfde is als gisteren? En dat je dus vooral veel naar gisteren moet kijken en luisteren? En dat we als dominees dus vooral historiserend moeten preken? 

Deze tijd

Ik werd geraakt door een artikel van dr. S. Meijers uit 1984. Het staat in een bundel die door de Gereformeerde Bond is uitgegeven onder de titel <i>De Heilige Schrift<p>. De titel van het artikel is spannend: ‘Voortgang der openbaring in leer en leven’. Nadrukkelijk zonder vraagteken, zegt Meijers meteen aan het begin. ‘Wie de Schrift niet naar het heden toe-formuleert en naar het praktische leven toe-vertaalt, verwijst haar naar het verleden, en maakt haar zo monddood.’ Verderop zegt hij met zoveel woorden dat we de aanvechting ontlopen als we in het lezen en uitleggen van de Schrift in het verleden blijven steken. We kiezen een veilige weg en maskeren onze verlegenheid als we de gemeente een geloof van gisteren willen leren. Een God van vroeger. Dr. Meijers wijst op de betekenis van het gebed om de Heilige Geest, de Geest van de profetie. ‘De Geest staat er Zelf voor in dat wij te allen tijde met de Schrift uit de voeten kunnen.’

Wij komen in de Schrift de levende Christus tegen, de Ik ben Die Ik ben, Die ook heden Dezelfde is. Niet alleen Dezelfde als gisteren, maar ook Dezelfde als in eeuwigheid, Die ook vandaag Zijn rijk bouwt met barmhartigheid, gerechtigheid, liefde en waarheid.

Om het maar heel persoonlijk te maken: wie is Hij voor ons nú? Waar zien we Zijn hand, niet alleen in ons eigen leven, maar ook in de gemeente, de kerk, de wereld? Hoe werkt God in déze tijd? En hoe zien we dat de God van vandaag Dezelfde is als in de Schrift en in de geschiedenis? Dat is tegelijk de vraag naar de waarde, de relevantie en de actualiteit van onze belijdenis. In onze belijdenis wordt geen God-van-toen beleden, een God anno 1563, een God anno 1618. Maar in haar belijdenis getuigt de kerk van de Levende, de onveranderlijke God. Zó proberen we in het lezen van de Schrift door te stoten tot het geheimenis. Totdat ik Hem Zélf ontmoet, en de Schrift ook hier en nu voor mij wordt.

Dat is spiegel één. 

Tegenovergestelde

De tweede spiegel staat er recht tegenover. Je krijgt zo hier en daar de indruk dat God niet meer Dezelfde is, dat Hij verandert. Zo niet van wezen, dan wel van opvatting. Ik denk daarbij niet zozeer aan de oude dwaling dat de God van het Nieuwe Testament een andere is dan die van het Oude Testament, al heeft het er misschien wel mee te maken. Dat God met de tijd meegaat. En dat de Bijbel één fase vertegenwoordigt, een momentopname in dat eeuwenlange proces van beweging in God. Hij beweegt mee, met de tijd, met de mensen, met de cultuur. Zodanig dat je, aangekomen in een ándere cultuur, kunt zeggen: wij weten meer dan Paulus wist. Over seksualiteit en homoseksualiteit bijvoorbeeld. Over de roeping van man en vrouw in de gemeente, in het ambt. Dat God meer ruimte geeft dan Paulus in zijn dagen wist, of kon zeggen. Zodanig dat je, levend in een ander tijdsgewricht, kunt zeggen: de tekst betekent zijn tegenovergestelde. Er dríngen zich bij het bijbellezen in onze cultuur enorme vragen aan ons op, en ik wil dan ook allesbehalve chargeren. Maar het gebeurt wel. En het raakt ook aan de katholiciteit van de kerk en van ons geloof: geloof ik, belijd ik, preek ik dezelfde God als die door alle heiligen van alle eeuwen en plaatsen beleden wordt? 

Verlegenheid

We voelen wel aan: als God een God-in-ontwikkeling wordt, zijn we de Schrift kwijt. Zo niet als bron, dan wel als norm. Dan wordt de Schrift een momentopname van Gods lange weg door de geschiedenis. Een van de eerste terreinen waarop dat zichtbaar wordt, is de ethiek. Omdat de ethiek zich bezighoudt met het leven als beeld Gods – maar wat moet je normatief over het beeld Gods zeggen als er geen schriftgenormeerd beeld van God Zelf meer is? Wij worden met een enorme verlegenheid geslagen nu we wegen moeten wijzen inzake seksualiteit en homoseksualiteit, inzake de vrouw in het ambt… en als we niet oppassen, vervallen we in een ethiek die op z’n minst de indruk wekt dat God van gedachten is veranderd.

Is dat de reden dat tijdens de laatstgehouden synodevergadering over de inzegening van huwelijken van mensen van een gelijk geslacht niet één keer de Bijbel is geopend? Je vreest bij de gedachte dat dit symptomatisch zou kunnen zijn voor héél het leven en spreken van de kerk. Terwijl nota bene de woorden dat Jezus Christus gisteren en heden Dezelfde is, in een parenetisch (vermanend, red.) hoofdstuk staan! Juist in de ethiek blijkt het van groot belang te zijn om te belijden dat er bij God geen schaduw van omkeer is.

De onveranderlijkheid van God is daarom een dogmatische schildwacht die je niet ongestraft kunt passeren. Dit leerstuk zou ook wel eens tot het gereformeerde DNA kunnen behoren. Dan is de onveranderlijkheid van God een van de eerste hermeneutische principes in het lezen, uitleggen en verkondigen van de Heilige Schrift. Bovendien draagt de onveranderlijkheid van God de katholiciteit van het geloof. Zo mogen en moeten wij de gemeente het ene, onveranderlijke geloof van de kerk der eeuwen verkondigen.

Onwankelbaar

Ik haast mij om tussen deze twee spiegels door een troostvolle weg te vinden. Wat tróóst u de onveranderlijkheid Gods, zouden we met de Heidelberger kunnen vragen.

Het is ontroerend om te zien dat de Hebreeënschrijver ons één vers eerder wijst op onze voorgangers. Dat wij letten op de uitkomst van hun wandel. Wij hebben negen overleden collega’s herdacht. Ze hebben het Woord verkondigd. Ze hebben uit dat Woord geleefd, vaak niet zonder aanvechting. In hun sterven hebben zij, de een meer dan de ander, mogen getuigen van de vrede van Christus. Ze hebben zich vastgeklampt aan Hem Die zij in Zijn dienst mochten verkondigen en aanprijzen. Wij staren hen in dankbaarheid na. Zij zijn niet beschaamd geworden.

En metéén daarachteraan staat dan dat machtige: dat Jezus Christus gisteren en heden Dezelfde is en tot in eeuwigheid. Het heeft zin om op Hem te hopen! Het heeft zin om Hem te verkondigen! Hij is zo trouw, de geslachten door. Zijn verbond is zo onwankelbaar. 

Pleitgrond

Wat is Zijn onveranderlijkheid een geweldige troost. De Heere zou toch eens van gedachten veranderen…besluiten om niet meer genadig te zijn, om het maar eens anders aan te pakken. Dan zou Zijn Woord ons bedriegen; dan zou het écht een Woord van vroeger zijn. Dan zouden zelfs de rechtvaardigen het laatste oordeel vrezen, omdat God een ander oordeel kan hanteren dan Hij in Zijn Woord doet. Dan staat alles op losse schroeven: heel Zijn eigen werk, heel onze zaligheid. Dan konden we de komende generaties ook niets zinnigs zeggen over de Heere. Want wie zegt dat de Heere voor ons nageslacht Dezelfde zal zijn als voor ons? Dan zou de Heere ten diepste onbetrouwbaar worden, veranderlijk als een mens.

Maar omdat Hij Dezelfde is, is Hij zo trouw. Trouw aan Zichzelf, trouw aan Zijn Woord, trouw aan Zijn verbond. En volstrekt betrouwbaar voor wie zich aan Hem vastgrijpt.

Voor Israël is de onveranderlijkheid van God daarom zo’n geweldige pleitgrond geweest. Voor Asaf in Psalm 74; voor het volk in ballingschap in Jesaja 41; voor de klagende en eenzame dichter van Psalm 102. Ook als de Heere veranderd lijkt te zijn, als Hij Zich verbergt, als Hij langs ongekende wegen gaat; als de duivel je toeroept dat de Heere Zich bedacht heeft en je maar niet meer op ontferming moet rekenen; als je roeping in de gemeente aangevochten wordt door problemen en spanning – dan perst de Geest het gebed eruit: Gij evenwel, Gij blijft Dezelfde o Heer, Gij zijt vanouds mijn Toeverlaat, mijn Koning!

En dan laat de Heere merken dat Zijn onveranderlijkheid geen kwestie van onbewogenheid is. Integendeel: ook in Zijn bewogenheid is Hij zo onveranderlijk. En er komt een dag, dat dat zal blijken!

A.J. Mensink