Jongeren vinden ‘luisteren zonder oordelen’ belangrijk in hun missionair zijn

Hoe wordt er door jongeren in de achterban van GZB, IZB en HGJB gedacht over geloof, kerk en missionair zijn? Onze drie zusterbonden wilden dit weten, zodat hun activiteiten optimaal zouden aansluiten bij de jongeren.

De tijd verandert, het type jongeren verandert – het maakt dat je als organisatie niet automatisch dezelfde doelen nastreeft als vorige generaties. Ja, het is waar, in elke generatie moeten jongeren de stem van de Heere Jezus horen, Die zegt: ‘Volg Mij!’ Als Zijn woord in je leven binnenkomt, dan laat je als Simon, Johannes en Jakobus aan de oever van de zee alles achter en volg je Hem. In hetzelfde hoofdstuk (Luk.5) lezen we dit van Levi, de tollenaar. Jezus volgen – in het Lukasevangelie is dat blijkens de werkwoordsvorm een voortdurende handeling. 

Vriendengroep

En toch, de tijd waarin je leeft, doet ook mee. Ooit zat ikzelf op een jeugdvereniging, was het motief voor ons samenkomen om kennis over de Bijbel op te doen, om te leren Wie God is, hoe Hij in mijn leven werkt. Toen we zo’n 25 jaar geleden meer dan incidenteel met afhakers te doen kregen, moest ik ontdekken en aanvaarden dat een jeugdvereniging óók een sociale functie hebben kan, dat dit voor sommigen ‘het hoogst haalbare leek’: jongeren er in een vriendengroep bijhouden. Wat de doelstelling betreft mag dit sociale aspect niet domineren, maar het doet wel mee. Het is slechts een voorbeeld van hoe cultuur en tijd de wijze waarop we met en voor jongeren werken, mede kunnen bepalen.

Voor GZB, IZB en HGJB was deze vraag belangrijk: ‘Hoe kunnen we met onze activiteiten en dienstverlening beter aansluiten bij de leef- en belevingswereld van jongeren uit onze achterban, in het bijzonder wanneer het gaat om hun missionair handelen?’ Waarom die vraag ertoe doet? Wel, de GZB verbindt jongeren met de wereldkerk door bepaalde reizen, de IZB rust jongeren toe om via Dabar op campings evangelisatiewerk te doen en de HGJB wil jongeren houvast bieden om Christus te vinden en te volgen. Om die reden gaf het drietal de Protestantse Theologische Universiteit de opdracht een inhoudelijk onderzoek te doen onder jongeren van zestien tot 25 jaar, een onderzoek dat op de voorlaatste avond van april gepresenteerd werd. 

Vinden en volgen

Christus ‘vinden en volgen’ – het is goed dat in het nadenken over de betekenis van het geloof in het leven van jonge mensen dit als verlangen benoemd wordt. In het Voorwoord van het onderzoeksrapport gebeurt het. ‘Vinden’, dat gaat voorop. Als we daarin kinderen en jongeren niet bij de hand nemen, kan er een missionair verlangen zonder bodem ontstaan. Als Filippus (Joh.1:46) Jezus’ oproep om Hem te volgen hoort, gaat hij naar Nathanaël en zegt: ‘Wij hebben Hem gevonden over Wie Mozes in de wet geschreven heeft…, Jezus.’ Vinden, het is een cruciaal woord in het Oude en Nieuwe Testament.

Mijn eerste herinnering aan de bevestiging van een jeugdouderling is gelinkt aan een preek over Spreuken 22:6, het leren van de eerste beginselen aan de jongere, zodat hij ‘oud geworden daarvan niet zal afwijken’. Iets moois heeft dit, de jonge jaren als de tijd van inwijding in het leven met God, van ontdekken Wie Hij is en wat Hij deed. In een cultuur waarin alles snel gerealiseerd dient te zijn, mogen we de tijd om te vinden kostbaar achten, koesteren. Het lijkt me belangrijk dit als belangrijke kanttekening mee te nemen als gesteld wordt dat ‘jongeren leden van de gemeente zijn. Daarmee geldt volgens de kerkorde de opdracht van missionaire arbeid ook hen’.

Missionair

Het PThU-onderzoek stond onder leiding van dr. Elsbeth Visser-Vogel, docent en onderzoeker aan de CHE, zelf bestuurslid van de HGJB. Haar opdracht was te focussen op het missionaire bewustzijn en handelen van christelijke jongeren. Op de avond van de (online)presentatie hield dr. Sake Stoppels dat woordje ‘missionair’ even tegen het licht: ‘In de kring van GZB/IZB/HGJB zal het verstaan worden als doorgeven van het Woord van God, binnen de dienstenorganisatie van de kerk wordt ook gesproken over missionair als vanuit de liefde in beweging komen ter wille van anderen namens God. Dan valt diaconaat ook onder missionair, evenals ecologische aandacht en maatschappelijke acties.’ Al raakt de bijbelse notie van de ‘zending’ de hele mens, we moeten die ‘smalle definitie’ niet kwijtraken: missionaire arbeid als het brengen van het christelijk geloof in een andere cultuur, als het verkondigen van Christus en Zijn Koninkrijk aan de ander.

Open gesprek

Snel gaan we nu naar de inhoud en de resultaten van het onderzoek naar de opvattingen van ‘onze jongeren’. Al vrij snel lees ik de opmerking dat ‘jongeren in Nederland opgroeien in een van de meest geseculariseerde landen ter wereld’. Deze aangrijpende realiteit máákt dat elke jongere zich tot zijn nabije omgeving moet verhouden, eveneens op plekken waar geloof en kerk en God er niet toe doen. De naam van Christus niet verloochenen, ook dat is missionair.

Voor de kerkelijke gemeenten (ambtsdragers, jeugdwerkers) is het leerzaam te ontdekken hoe jongeren naar de gemeente kijken. Ik ga hier niet uitvoerig allerlei percentages noemen uit het onderzoek, maar kies voor opvallende overwegingen. Dan ontdek ik dat jongeren behoefte hebben aan een open gesprek, dat ze (nogal eens) ruimte missen voor hun vragen, echte aandacht voor de jeugd. Cruciaal is dat – en wie goed naar de dilemma’s van jongeren luistert, hoeft daarbij echt niet in de knel te komen met Spreuken 22. Ook in een gesprek van hart tot hart kun je immers leren. Gelukkig, tegen de zeventig procent van de jongeren is tevreden over de aandacht die ze in hun kerkelijke gemeente krijgen, al moeten we beseffen dat de meest betrokken jongeren gereageerd hebben. 

Luisteren, relaties, respect

Het onderzoek richtte zich op de achterban van de drie bonden en keek hoe orthodox de jongeren zijn. Negentig procent van hen ziet de Bijbel als het Woord van God, terwijl voor 65 procent van hen de Bijbel bepalend is voor hoe ze hun leven inrichten. Cijfers zijn het die voor zich spreken: je kunt daarom met evenveel recht dankbaar voor de 65 procent zijn als zeer bezorgd zijn over de jongeren die de Bijbel niet bepalend voor hun leven achten. De mate van orthodoxie is lager als jongeren door hun overtuiging een ander moeten veroordelen/uitsluiten. Ten aanzien van de vraag waar je geloof aan bod komt, is het opvallend dat jongeren hun geloofsovertuiging vooral beleven binnen de kring van kerk en familie, maar dat het geloof slechts voor een derde van hen aan de orde komt bij hun studie, voor een kwart van hen bij hun (bij)baan en voor bijna niemand bij hun sport.

Wellicht de opvallendste uitkomst van dit onderzoek is dat jongeren bij het vervullen van hun missionaire opdracht drie dingen belangrijk vinden: luisteren naar de ander zonder te oordelen, relaties en vriendschappen aangaan én respect hebben voor elkaar. Aan de ene kant willen jongeren meedenken over missionaire activiteiten, aan de andere kant moet alles niet te veel tijd kosten en moet het henzelf ook wat opleveren.

Godsbeeld

Ze interpreteren de opdracht van Jezus niet als zouden ze de ander moeten overtuigen of bekeren. Hoe orthodoxer een jongere overigens is, hoe minder verkeerd hij het vindt om de ander te willen overtuigen. Dit accent bij jongeren sluit aan bij hoe de Evangelische Omroep haar programma’s benoemt: ‘Leef je geloof.’ Het is de vraag die ook ouderen zichzelf mogen stellen: Neemt het vasthouden aan wat we orthodoxe opvattingen noemen bij mij ook af als de relatie met anderen (kinderen, familie, buren) onder druk komt te staan? Goed is het als in het kerkelijke onderricht hier gemeentebreed aandacht voor is, bij voorbeeld vanuit de eerste brief van Petrus.

Zonder meer is relevant welk Godsbeeld onze jongeren in gezin en gemeente geleerd hebben, we later verinnerlijkt hebben. Als de Heere Jezus de enige Weg is, willen we zo over Hem spreken. Leerzaam is voor (kringen met) twintigers in dit verband het recente boek van ds. A. van Zetten, Mijn beeld van God. Een bijbelse verkenning.

Het onderzoek eindigt met concrete aanbevelingen voor kerkelijke gemeenten. Omdat slechts de helft van de jongeren zich geroepen voelt van Jezus te getuigen, is hierin bewustmaking nodig. Ik zeg ook nu dat ‘vinden en volgen’ hierin samengaan. Belangrijk voor de kerk is evenzeer dat jongeren zich gezien weten. Het is een behoefte die voor elk mens geldt, maar die temeer aan de orde is in een fase waarin je als twintiger belangrijke beslissing voor je leven neemt. Het zijn degenen die catechese en jeugdwerk verlieten, zonder door te stromen naar bij voorbeeld een bijbelkring in de gemeenten.

De Torah leren

Van Petrus leren we dat onze levenswandel goed moet zijn, opdat degenen ‘die kwaad over ons spreken in ons goede werken waarnemen’. Tegelijk leert het Nieuwe Testament ons dat voor alles Christus verkondigd moet worden. Het is de vraag waar ons leven ruimte creëert om expliciet over Hem te spreken, van Hem te getuigen.

Jongeren mogen we hierin trainen. ‘Als iemand je iets vraagt uit de wet, dan mag je in je antwoord niet stotteren’, zeggen de Joden. Daarom leren ze zo nauwgezet de Torah. Van de jongeren geeft 35 procent aan dat ze meer van het geloof willen weten. Missionair zijn heeft alles te maken met catechese.

P.J. Vergunst