Jozsef en Giti Bán groeiden op onder Hongaarse dictatuur

Bijna veertig jaar geleden vertrok de familie Bán uit Hongarije. Inmiddels zijn ze volgens eigen zeggen goed geďntegreerd, al voelen zij zich nog verbonden met hun geboorteland. Giti: ‘Ik ben in Nederland evenwichtig geworden.

Negentien jaar waren ze op de dag van hun huwelijk in 1977, Jozsef Bán en Giti Debreczeni. Ze kenden elkaar als leerlingen van de enige christelijke school die Hongarije rijk was. Vijftien maanden daarna vluchtten ze naar Nederland. Giti kwam via Duitsland, Jozsef en zijn ouders via Zwitserland.

‘Toen de papieren in orde waren, belandden we bij een jong gezin in Bennekom. We kenden die mensen niet, toch stonden ze hun slaapkamer aan ons af, alleen omdat de oprichter van de stichting Hulp Oost-Europa, ds. Van Rootselaar zei ‘dat we voor deze mensen moesten zorgen’. Dát is gastvrijheid’ vertelt Giti.

Dictatuur

‘In het Hongarije van toen waren er twee taboes waarover niet gesproken mocht worden: de aanwezigheid van de Russische militairen en de alleenheerschappij van de partij. De media bedreven slechts propaganda; er was één mening, die iedereen behoorde te volgen. In het openbaar mocht je niet tegen de principes van de communisten ingaan. Voor mensen die geen dictatuur meegemaakt hebben, is het moeilijk uit te leggen dat er zoveel ongeschreven regels waren waarbij je niet wist tot hoever je kon gaan’, zegt Jozsef Bán.

‘Er waren kerken, maar in het Hongarije van toen mocht op de preekstoel niet alles gezegd worden. Preken over de betekenis van het geloof en over je persoonlijke leven was prima, maar er mochten geen lijnen naar de actualiteit getrokken worden, naar wat goed en kwaad was in de maatschappij. Het was ook niet te verteren dat de communisten de jeugd als hun eigendom beschouwden. De kerk had zich niet met de jeugd bezig te houden.’

Giti: ‘Het gevolg is nu te zien: mensen van onze leeftijd zijn afwezig in de kerk, terwijl er ook nauwelijks jongeren zijn.

Leerkrachten mochten níet in de kerk komen! In onze gemeente was er een gelovige onderwijzeres die stilletjes bij het orgel ging zitten en die voor het einde van de dienst alweer uit haar schuilplaats vertrokken was. Iedereen wist het, maar er werd niet over gepraat.’

Oprichting HOE

De vader van Jozsef Bán was dominee in een dorpje in het zuiden van Hongarije toen ds. J. van Rootselaar er op vakantie was, en daar een hartinfarct kreeg. Wekenlang moest de predikant het bed houden in het ziekenhuis. Jozsefs vader sprak als een van de weinigen Duits, en mocht hem dagelijks een bezoek brengen. Zo leerde ds. Van Rootselaar in het ziekenhuis wat Hongaars. Dit contact werd de aanleiding tot de oprichting van de stichting Hulp Oost-Europa.

Jozsef: ‘In die tijd kon je als predikant in een klein dorpje niet overleven, je gezin niet onderhouden. Daarom had mijn vader een tweede baan als assistent-radioloog in het ziekenhuis waar ds. Van Rootselaar lag. Zodoende konden ze elkaar dagelijks spreken.’

Liefde

Mevrouw Bán is blij dat ze in Nederland terechtgekomen is. ‘Zonder Jozsef en zijn familie was dat niet gebeurd. Mijn eigen vader is later naar Duitsland gegaan, terwijl mijn moeder in Hongarije bleef. In 1956 liep Jozsefs vader tijdens de opstand mee met de betoging, terwijl mijn ouders piëtisten waren, niet geïnteresseerd in politiek. Ik ben opgevoed met de gedachte dat we aan de keizer moeten geven wat van de keizer is, terwijl mijn schoonvader vond dat je in dit systeem níets aan de keizer geven kon! Zonder Jozsefs vader zaten we hier niet. Ik ben echt een Nederlandse geworden, ik voel me hier thuis, ik heb hier gestudeerd, heb hier mijn kinderen gekregen en had hier mijn eerste baan. God heeft mij in Nederland gevonden. Mijn opvoeding was erg wettisch, ik moest van alles. Als domineesdochter moest ik naar elke kerkdienst en naar elke bidstond, terwijl mijn broer en ik de enige jeugdigen waren. Ik miste de liefde. In Nederland ervaarde ik dat je door God geliefd bent. Toen we in IJsselmuiden ons eerste kindje kregen, voelde ik me zo gedragen, dankbaar voor de plek die we hadden. Jozsef kon gaan studeren en kreeg tegelijk een plek als opperman in de bouw. Ds. Van Rootselaar gaf ons de eerste Nederlandse lessen.’

Kerken

De familie Bán werd opgevangen door de ‘gereformeerdebondskerk’ in IJsselmuiden. De ouders van Jozsef door de Nederlands gereformeerde kerk in Kampen, waar zij al contacten hadden. Giti: ‘Voor mijn schoonvader was de verdeeldheid tussen de kerken ook een enorme schok. Om die reden is hij teruggegaan naar Zwitserland, hoewel hij predikant in Nederland wilde worden. Maar, wáár moest hij dat worden? In de Nederlands Gereformeerde Kerken of in de Gereformeerde Bond? Hij kon gewoon niet kiezen tussen vrienden en ging naar Zwitserland. Voor mijn schoonouders was er in Zwitserland geen nieuw thuis. In Nederland hadden ze een vriendenkring. En Zwitserland kende een staatskerk, waarin persoonlijk geloof minder gevonden werd. Het leek meer op Hongarije.’

Jozsef: ‘Hij wilde de onderdrukking ontvluchten, maar realiseerde zich niet dat ze veel dingen achterlieten, omdat ze ouder dan veertig waren. Als twintigers konden Giti en ik ons beter aanpassen.’

Giti: ‘Mijn schoonouders zijn na 1989, toen Jozsefs vader met emeritaat ging, naar Hongarije teruggekeerd.’

Jozsef: ‘Mijn beide ouders hebben een heel bewogen leven gehad, hebben bewust de Tweede Wereldoorlog meegemaakt, het communisme ook. De laatste jaren konden ze alles niet meer verwerken.’

Giti: ‘Toen ze na de Wende terugkwamen in Hongarije, vonden ze ook daar hun draai niet, vonden ze niet wat ze hadden achtergelaten. Ik zei in die tijd wel eens tegen mijn schoonvader dat hij niet meer tegen het communisme hoefde te preken, maar hij kon dat niet laten, al begreep hij mij wel. Wij hebben een nieuw land gevonden, zij niet. Dat is een tragedie.’

Evenwichtig

De familie is niet belast met Nederlandse kerkelijke tradities. Jozsef: ‘Zowel bij de bonders in IJsselmuiden als bij de Nederlands gereformeerden in Kampen kon ik ‘amen’ zeggen op de preek.’

Giti: ‘Toen onze oudste in IJsselmuiden werd gedoopt, gingen alle vrouwen met een hoed naar de kerk; in Hongarije doet niemand dat. Voordat Dora gedoopt werd, kregen we bezoek van twee ouderlingen die vroegen of we een hoed wilden kopen. Dat heb ik gedaan, maar ik vond het niet leuk dat het alleen voor de doop gevraagd werd. Het is overigens niet daarom dat we later lid van de Nederlands Gereformeerde Kerken werden, dat was alleen vanwege vrienden.

Ik voel me nu Nederlander, al blijf ik voor buitenstaanders vanwege mijn accent altijd een Hongaarse. Een samenleving verandert en wij nemen deel aan het alledaagse leven in Nederland, hebben bewust gekozen voor integratie.

Ik ben in Nederland evenwichtig geworden, Jozsef was het al. Toen onze dochter Kinga ernstig ziek werd, was het evenwicht even weg, maar het geloof in God laat je de dingen toch in perspectief zien. Als je niet wist dat er na dit leven iets beters komt, zou je erg verdrietig kunnen zijn om veel dingen.’

P.J. Vergunst