Kerk in verandering

Het blijft gaan om Christus’ heerlijkheid

We leven in een tijd van verandering van de kerk, het valt niet te ontkennen. Het kan leiding geven aan de gemeente maken tot een complexe taak. De kerk moet omgaan met druk van buiten en met allerhande vragen van binnen. Hoe houd je koers, de koers van het Evangelie?

Bij mij bleef het haken, een van de laatste zinnen in het persbericht dat onze kerk dezer dagen liet verschijnen over de benoeming van ds. D.Ph.C. Looijen tot regionaal adviseur van de classicale vergaderingen in Zuid-Holland. De kerk verwoordde daarin dankbaar te zijn dat de Amersfoortse predikant ‘in deze tijd van verandering van de kerk’ zijn bestuurlijke kennis en ervaring in wil zetten. Dat is blijkbaar een van de meest actuele aspecten van het kerk-zijn vandaag, het in verandering zijn.

Kanaliseren van neergang

Deze verandering is vooral het gevolg van het in toenemende mate ontbreken van menskracht en financiële middelen in veel kerkelijke regio’s. ‘Kanaliseren van de neergang’, zo kenschets ik mijn eigen taak in dienst van de Gereformeerde Bond nogal eens. Het gaat om het zoeken van mogelijkheden om het werk in de gemeenten doorgang te laten vinden, ook als er reden is de organisatie ervan aan te passen.

Is dat erg, werken in een context van neergang? Niet als we zien dat onze roeping niet afhankelijk is van de omstandigheden waarin we werken. ‘Wie trouw is in het minste, is ook in het grote trouw’, zo onderwijst Jezus ons in Lukas 16. Betrouwbaarheid en eerlijkheid horen bij het Koninkrijk van God. In onzichtbaar werk kun je dat tonen. En tegelijk, het doet wel wat met mensen in de gemeenten. Je hebt een tijd van meer bloei gekend, van saamhorigheid in de gemeente, met ‘vanzelfsprekendheden’ ten aanzien van de voortgang van het werk. Met minder schouders het werk te moeten dragen, kan je brengen bij de vraag hoelang je zelf je taak nog volhoudt.

Concentratie

Deze realiteit leert ons af het te zoeken in een veelheid van activiteiten, maar brengt tot een concentratie op het werk van God. Wat is Zijn opdracht voor de kerk? Dan ben je dankbaar als de prediking als bediening van de verzoening doorgang vindt, als er namens de grote Herder van de schapen pastorale zorg gegeven kan worden, als er namens Hem een beker water aangereikt wordt aan mensen in nood, als het onderwijs vanuit het Woord aan de jongeren van de gemeenten blijft. En waar niet alles (tegelijk) meer kan, komen we tot een verantwoorde keuze. Want overspannenheid in de dienst aan God is niet goed.

En, we zoeken temeer ons houvast in de beloften van God. Als Paulus spreekt over de verdrukkingen die hij lijden moet, verdrukkingen die horen bij een goede soldaat van Jezus Christus, dan roept hij ons in herinnering dat Hij uit de doden opgewekt is én dat het Woord van God niet gebonden is. Geen vereniging of organisatie die een periode van verandering doormaakt, kan terugvallen op een ankerpunt als dit!

Aan de psalmen gehecht

Er is echter meer dan verandering in de organisatie van de kerk en de gemeenten. Dit voorjaar was ik op dezelfde dag in twee pastorieën van kleine hervormde gemeenten die van harte staan in de traditie van de Gereformeerde Bond. Los van elkaar zeiden de jonge dominees dat ze vaak nadachten over hoe de gemeente zich verder ontwikkelen zou als ‘de generatie weg gaat vallen die (voor de eredienst) sterk aan de psalmen hecht’. Ze beseften dat dit enkele feit niet op zichzelf staat.

Het gaat bij een dergelijke opmerking niet om de psalmen op zichzelf, maar om de geloofsbeleving in de gemeenten. In de voortgang van de generaties en in het aantreden van jongere ambtsdragers mogen we aandacht geven aan de verworteling in en het functioneren van de gereformeerde belijdenis. Ook op die manier kan er immers sprake zijn van kerk in verandering. Het is alweer zeven jaar geleden dat de toenmalige HGJB-directeur Harmen van Wijnen op basis van onderzoek van de HGJB signaleerde dat ‘jongeren in snel tempo van het gereformeerd belijden vervreemd geraakt zijn’. Een dreigende teloorgang van een leven en geloven dat gevoed en gestempeld wordt door een levende gereformeerde spiritualiteit, dat is wat er op het spel staat.

Waar zittende ambtsdragers (met oprechte motieven) niet meer doen dan in beleidsmatig opzicht het in de gemeenten ‘bij het oude houden’, loopt een bijbels-gereformeerde identiteit van de gemeente gevaar. Het is nu de tijd om ons hiervan bewust te zijn. Als we in kleinere of grotere gemeenten gezegend zijn met ambtsdragers die met hoofd en hart weten waar het in de belijdenis van de Reformatie om ging – en waar het vandaag in de kerk om gaat – dan moeten we investeren in de toekomst. Opdat een kerk in verandering niet in geestelijke zin in verval raakt.

Krimp en kramp

Het betekent voor elke dienaar van het Woord een investering in de eigen kerkenraad, een oefening om op een goede manier om te gaan met geloof en leven, met Schrift en belijdenis. Opdat we blijven beseffen wat essentieel is in de inhoud van het geloof, in de omgang met God – en dat benoemen als predikant en ambtsdragers.

Waar krimp plaatsheeft, kan kramp ontstaan. De NRC-journalist Pieter van Os hield onlangs in de Amsterdamse Vrijburgkerk een toespraak voor vrijzinnig protestanten en remonstranten. Rode draad in zijn betoog was dat als je als kerk minder mensen bereikt, dit geheel ‘niet wil zeggen dat je verhaal niet deugt, dat je dat als de wiedeweerga moet aanpassen’. Hij stelt dat het niet goed is in een tijd van neergang onzeker te worden ‘en al helemaal niet vergeten wie we zijn’.

Traditie van de kerk

We sluiten de ogen niet voor de realiteit. Een aantredende generatie heeft in het algemeen weinig antenne voor de waarde van de traditie van de kerk. Daarom mag de vraag hoe jongeren, twintigers, dertigers kunnen en mogen omgaan met onze traditie een grote prioriteit hebben, opdat zij – ook als ze geroepen worden tot leiding geven – in het postmoderne leven zullen komen tot gefundeerde meningen en keuzes.

Gereformeerd willen zijn betekent immers steeds weer gereformeerd willen worden. Het komt erop aan om wat ons in de belijdenis van de kerk overgeleverd is, toe te passen in een individualistische cultuur, waarin gezag waargemaakt moet worden. Daarin moeten we ‘gehoorzaamheid’ met elkaar weer leren spellen, gehoorzaamheid aan de geboden van God, een gehoorzaamheid die met vreugde gepaard gaat. Dat is de vreugde over de wet, waarover Psalm 119 zingt: ‘Ik verblijd mij in Uw verordeningen, Uw woord vergeet ik niet.’

Verlangen

Wat verlangen we in een tijd van verandering van de kerk, van onzekerheid over continuïteit in de gemeenten – waarover de synode zich deze week uitspreekt –, ook van zorg over de identiteit van veel gemeenten? Dat we nu en in de toekomst mogen weten wat er werkelijk toe doet. Dat is het zichtbaar worden van Gods werk in de gemeenten, onder ons. Ooit vroeg Filippus aan Jezus: ‘Heere, laat ons de Vader zien en het is ons genoeg.’ We kennen het antwoord van de Heiland: ‘Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien.’

Bidden we daarom om de heerlijkheid van Christus in de gemeente, om gehoorzaamheid aan en eer voor Hem? Die worden gevonden als (om met Calvijn te spreken) ‘mensen, in zichzelf verloren, God als Verlosser aangrijpen in de Middelaar, Jezus Christus’. Wat zou het goed zijn als een kerk in verandering, als gemeenten in de overdracht naar een volgende generatie bij Calvijn te rade zouden gaan, die ons leert dat ‘er nergens wijsheid, licht, gerechtigheid, macht, oprechtheid of zuivere waarheid te vinden is die niet van God neerdaalt en waarvan Hij niet de oorzaak is.’

Eeuwige leven

‘Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid.’ Dit woord aan de Hebreeën is meer dan een passende tekst voor als de dominee afscheid preekt. Dit woord laat zien om Wie het altijd weer gaat. Hem te kennen is het eeuwige leven. Om die reden schrijft Paulus in 1 Timotheüs 6: ‘Grijp naar het eeuwige leven.’ In Christus kwam dat tot ons.

P.J. Vergunst