Leerkracht als getuige

Met christelijke school is het ideaal er niet

Christelijk onderwijs, wie kan zeggen hoe we daar in 2011 invulling aan moeten geven? Hoe verhoudt de naam van de school zich tot de inhoud van de lessen?

Kennen jullie iemand aan wie jullie kunnen merken dat hij of zij een kind van God is? De leerkracht was op zoek naar identificatiefiguren voor haar elfjarige leerlingen. ‘Mijn opa', zei een jongen. Er ging nog een vinger omhoog. ‘U, juf!' Op zo'n moment komt de betekenis van het christelijk onderwijs op een mooie wijze naar voren.

 

Getuige voor jongeren

Het voorbeeld laat zien dat een onderwijzer veel meer is dan ‘lesboer', om een onsympathiek woord te gebruiken. Hij is ook getuige, getuige van Christus naar leerlingen toe. Naar twee kanten toe ligt hier een front. Te vaak wordt in het reformatorisch onderwijs het christelijke leven geassocieerd met regels. Een puber die onlangs van klas moest wisselen, zei thuis het jammer te vinden geen les meer te zullen krijgen van meneer Van der Linden. ‘Die zeurt ten minste niet overal over, maar je kunt wel altijd merken dat hij een kind van God is.'

Toen meneer Van der Linden ervan hoorde, was hij verbaasd: ‘Ik heb die jongen altijd stevig aangepakt.' Artikelen die vorige maand over kerkverlating verschenen, onderstrepen hoe belangrijk de leerkracht als getuige voor jongeren is.

 

Uren

Erger is het dat er veel in naam protestants-christelijke scholen zijn waarop leerkrachten werken die weinig tot niets met God en geloof hebben, die zelf niet kerkelijk meeleven, die geen verschil zien tussen Christus en Boeddha en die de inhoud van de Bijbel slechts doorgeven als een verhaal. Dat grijpt te meer aan als we bedenken hoeveel uren per week, hoeveel dagen per jaar we onze kinderen toevertrouwen aan de geestelijke en pedagogische zorg van onderwijsgevenden. Dr. H. van 't Veld schreef ooit: ‘Het valt te betreuren dat in de kerkelijke voorbede het dagelijkse christelijk onderwijs een zoveel geringere plaats inneemt dan het catechisatie- en jeugdwerk, dat slechts enkele uren per week in het winterseizoen bestrijkt.'

 

Vrijheid van onderwijs

Belangrijk kenmerk van het Nederlandse onderwijsstelsel is de vrijheid van onderwijs, waarmee recht gedaan wil worden aan onze samenleving. Ouders kiezen een school voor hun kind. Nu de toekomst van die vrijheid in ons politieke klimaat niet vanzelf spreekt, is het voor christenouders een reden te meer gericht invulling aan die vrijheid van onderwijs te geven. Immers, bijbels gezien is vrijheid nooit een doel in zichzelf. Vrijheid moet je benutten voor een hoger doel.

De afgelopen halve eeuw was er in Nederland veel discussie over de identiteit van de christelijke school, over haar bestaansrecht en over de vormgeving van het onderwijs in de dagelijkse lespraktijk. Voor de oorlog was daar nauwelijks discussie over. Het onderwijs is eigenlijk de witte raaf in een steeds minder verzuild en meer geseculariseerd Nederland, maar christelijke scholen zijn ondertussen wel steeds veelkleuriger geworden. Anneke de Wolff concludeerde in 2000 in haar dissertatie over de identiteit van de christelijke school dat de verschillen tussen christelijke en niet-christelijke scholen vaak maar klein zijn. ‘Vaak wordt dan opgemerkt dat leerlingen op een christelijke school gevormd worden in waarden als respect, verdraagzaamheid en solidariteit.'

 

Christelijke overheidsschool

Daarmee concluderen we dat we erg ver verwijderd geraakt zijn van het ideaal, de ongedeelde christelijke nationale school waarin alle kinderen met het Evangelie in aanraking komen. Pas toen dat niet haalbaar bleek, ging Groen van Prinsterer zich inzetten voor het bijzonder onderwijs, een christelijke school. Ds. H.G. Abma noemde die christelijke school daarom next best, waarbij we nu beseffen dat het ideaal van de christelijke overheidsschool verder weg is dan ooit. Noodgedwongen leggen we ons erbij neer dan miljoenen kinderen in Nederland op school niet van het Evangelie horen. Voorstanders van het christelijk onderwijs zouden zich daarom voor de godsdienstlessen op de openbare school net zo dienen in te zetten als voor de instandhouding van de christelijke scholen.

Bijzonder onderwijs ontwikkelt zich in relatie met de samenleving, ook met de kerkelijke samenleving. Het is daardoor wel begrijpelijk, maar het is geen winst dat we in de twintigste eeuw een keur aan scholen met de Bijbel gekregen hebben, in het spoor van een toenemende kerkelijke verdeeldheid. Een eigen kerkelijke kleur - of dat nu hervormd, vrijgemaakt of gereformeerde gemeenten is - inclusief de eigen eenzijdigheden kan dan gemakkelijk een stempel op de christelijke school zetten. Wie denkt vanuit de gedachte dat gezin, school en kerk in hetzelfde spoor dienen te gaan, zal hier waarschijnlijk alleen maar dankbaar voor zijn. Vergeten is dan wel dat het noodverband van de christelijke school verbrokkeld is in veel lokale noodverbandjes.

 

Grondslag

Niet de kerkelijke traditie maar het Woord van God en de daarop gegronde belijdenis van de Reformatie moeten de grondslag van de christelijke school bepalen. Aftakkingen van het protestants-christelijk onderwijs als het gereformeerd-vrijgemaakte, het reformatorische, het evangelische zijn immers pas ontstaan toen op protestants christelijke scholen aan het gezag van de Bijbel getornd werd en over Christus niet meer als de Heiland der wereld verteld werd.

Voor nu en in de toekomst zal het christelijk onderwijs haar bestaansrecht én haar bestaansplicht moeten zoeken in Christus, in het verlangen jonge mensen te vormen tot toegewijde leerlingen van Hem, om voor kinderen in het horen van Zijn geboden de wereld te ontsluiten en te duiden. Dat is de kern, die zich niet laat opsluiten in de dagopening en de vieringen van de heilsfeiten - hoe cruciaal die ook zijn. Al weten we allemaal dat christelijke wiskunde niet bestaat, is tegelijk waar dat het Woord alle lessen dient te doortrekken, het schoolklimaat dient te bepalen, de omgang met elkaar dient te stempelen.

Een reformatorische rector vroeg eens aan een christelijke gereformeerde predikant die als bestuurslid de school zou bezoeken: ‘U wilt zeker als eerste een godsdienstles bijwonen.' ‘Nee', zei de man, ‘ik woon graag een les muziek bij.' Hij had meer begrepen van het belang van de identiteit dan schoolbesturen die tijdens hun periodieke bezoek alleen in de godsdienstles geïnteresseerd zijn.

 

Elkaar vasthouden

Waar leerlingen van verschillende kerken in het onderwijs samenwerken, hebben we de roeping elkaar te vinden op basis van de grondslag én daarnaar te leven. De huidige inzet voor een nieuwe reformatorische school in De Valk, omdat drie behoudend christelijke scholen in Wekerom, De Valk en Harskamp niet reformatorisch genoeg zijn - die inzet is met een beroep op de geschiedenis van de schoolstrijd niet vol te houden. Principieel gezien is de christelijke school een noodverband, en in nood zoek je elkaar op, houd je elkaar vast.

Dankbaarheid vanwege het christelijk onderwijs is dankbaarheid over de plaats van de Bijbel in het onderwijs en schoolleven. Dat is het pand dat bewaard moet worden. We mogen nooit onderschatten wat het betekent dat aan het begin van elke schooldag de Bijbel opengaat, dat onze vrijheid van onderwijs hier ruimte voor biedt.

 

Liefde van de leerkracht

Dan zijn we tegelijk terug bij het begin: de leerkracht voor de klas, zijn invloed op het kind, op de jongere. De kerk zal haar jongeren daarom moeten stimuleren voor het onderwijs te kiezen, al is het salaris anders dan in het bedrijfsleven. Wat is er mooier dan dat een kind - afkomstig uit een gebroken gezin of niet, hoogbegaafd of sociaal gebrekkig - ervaart dat de leerkracht om hem geeft. Zoals Jezus naar mensen keek. Vanuit een innerlijke bewogenheid leerde Hij hen al de geboden van Zijn Vader.

Christelijk onderwijs mag naast liefde tot het kind ook gestempeld worden door respect voor het kind en zijn eigenheid, door serieus nemen wat het zegt, door werkelijk in te gaan op zijn vragen. Dat aspect staat los van de gezagsverhouding.

 

Doop

Christelijk onderwijs is nauw verbonden met de heilige doop, waar ouders beloofden hun kinderen in de leer van Christus te laten onderwijzen. Daarom heeft dit onderwijs Gods belofte mee. Ja, we weten er ook van dat het goede zaad vertrapt wordt, op de rotsen valt of te midden van de dorens. Dat is niet alleen de spanning in het gemeentewerk, dat is ook de spanning op de christelijke school, die onze roeping slechts klemmender op ons af laat komen. Maar dat laat onverlet dat de Heilige Geest garant staat voor de vrucht in het leven van hen ‘die het Woord horen, het in een oprecht en goed hart vasthouden' (Luk. 8:15). Vruchten die reiken tot in het eeuwige leven.

P.J. Vergunst