Leidsman tot zaligheid

In het tweede deel van het bijbelboek Jesaja klinken tot vier keer toe profetische woorden over de Knecht van de HEERE. Maar wat is nu met het oog op onze Zaligmaker de kern van de prediking die van deze zogenoemde Knechtliederen uitgaat?

De Knecht zal in de toekomst de grote naamgenoot van Jesaja zijn. Jesaja, ook wel de vijfde evangelist genoemd, betekent evenals de naam Jezus ‘God redt’. Alleen de naam van het boek al is dus vol van verkondiging. 

Aangesteld

Met een krachtige inzet wordt in het eerste lied (Jes.42:1-9) de Knecht van de HEERE aangewezen. ‘Zie, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Wie Mijn ziel een welbehagen heeft…’ Het is de HEERE Zelf Die hier het Woord neemt. Met het openingswoord ‘Zie!’ worden alle schijnwerpers gericht op Hem, Die de HEERE ‘Mijn Knecht’ noemt. Meer nog: ‘Mijn Uitverkorene’. Van meet af aan is de intieme verhouding tussen de HEERE en Zijn koninklijke Knecht gegeven.

In de opdracht die de Knecht ontvangt, worden twee zaken geaccentueerd: herstel van het recht op de aarde en het geven van onderricht (tora) aan de heidenvolken (vs.1b en 4b). Bij het recht gaat het om de komst van Gods Koninkrijk. Het onderwijs wil brengen tot erkenning, gehoorzaamheid en aanbidding van de enige HEERE.

Hoe de Knecht hierin werkzaam zal zijn, schemert hier bij Zijn aanstelling al door: niet schreeuwend, maar zwijgend, met oog en hart voor het verzwakte. Al dreigt Hij er Zelf aan onderdoor te gaan (vs.4a), Hij vervult Zijn roeping ten volle. Hij is er ten behoeve van het volk. 

Taak en roeping

De taak en roeping van de Knecht van de HEERE wordt in het vervolg van dit eerste Knechtlied uitgewerkt. Het gaat om herstel van het verbond met Zijn volk. Blinde ogen zullen gaan zien wie de HEERE werkelijk is. Tot het doen kennen van de HEERE is de Knecht van de HEERE geroepen. Het goddelijke ‘Ik’ en het vaste ‘Ik zal’ onderstrepen de volmacht en daadkracht van Gods Uitverkorene.

Onmiskenbaar wordt deze geroepen en aangestelde Knecht van de HEERE vanuit het geheel van de Schriften op Jezus Christus betrokken. Als Hij in de wereld komt, wijst en prijst de stem uit de hemel Hem bij Zijn doop en bij Zijn verheerlijking aan met het Godswoord uit deze eerste Knechtprofetie. In Hem heeft God een welbehagen (Matt.3:17), de mensheid heeft gehoor te geven aan Zijn stem (Matt.17:5). God heeft Zijn Geest op Hem gelegd (Matt.3:16b). 

Universele taak

Het tweede lied (49:1-6) wordt voorbereid met een verwijzing naar de eerste Knechtprofetie: ‘En nu, de Heere HEERE heeft mij gezonden, en Zijn Geest.’ (Jes.48:16b)

In het eigenlijke lied neemt de Knecht Zelf het woord. Er wordt dus niet óver, maar door Hem gesproken. Opnieuw is Zijn legitimatie veelzeggend: ‘De HEERE heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Knecht….’ (vs.1-3) Dat tekent Zijn afhankelijkheid maar ook Zijn recht van spreken. Zijn Woord is het middel waarmee Hij Zijn werk ten uitvoer brengt (vs.2; vgl. Openb.1:16).

Wat in het eerste lied al merkbaar was, maakt het tweede lied temeer duidelijk: deze Knecht heeft een universele taak. Er klinken beloften van wereldwijd heil. De Knecht weet Zich gegeven tot ‘een Licht voor de heidenvolken’, om ‘Gods heil te zijn tot aan het einde der aarde’ (vs.6b; vgl. de uitwerking in vs.7-13). 

Israël

Opvallend en indringend is de vereenzelviging van de Knecht met Israël in vers 3. In dat volk heeft God Zichzelf willen verheerlijken. Juist op dit punt echter klinken woorden die duidelijk maken hoezeer dat op een teleurstelling uitloopt (vs.4). Het is de ware Knecht van de HEERE (dé Strijder Gods), Die ook een tegenwerkend Israël (vs.5m) zal terugbrengen om Gods lof te vertellen en haar roeping in de wereld te hervinden (vs.5-6a).

Er blijkt een wonderlijke wisselwerking te zijn tussen het heil voor Israël en dat voor de volkeren. Na de geboorte van Jezus bezingt Simeon Hem als Degene Die door God bereid is ‘om de heidenen te verlichten en om Gods volk Israël te verheerlijken’ (Luk.2:32). Het gaat om één kudde en één Herder. Gods volk uit Israël en uit de volkeren is blijvend geroepen om het knechtschap gestalte te geven op de wijze van Gods Gezalfde. 

Gesmaad en geholpen

Evenals in het tweede lied is ook in de derde Knechtprofetie (50:4-9) de Knecht van de HEERE Zelf aan het woord. Opnieuw valt de intense verbondenheid van de HEERE en de Knecht op. Keer op keer spreekt de Knecht over ‘de Heere HEERE’, wat zelfs gelezen kan worden als ‘mijn Heere HEERE’. Bij elke stap in de lijdensweg van de Knecht is de HEERE aanwezig. Hij geeft een tong (vs.4), Hij opent het oor (vs.5), Hij helpt (vs.7) en is nabij (vs.8), Hij helpt opnieuw en definitief (vs.9). Hoe onzichtbaar het ook kan zijn voor mensen, in elk aspect van het vervullen van Zijn roeping geldt: ‘Ik en de Vader zijn Eén’ (Joh.10:30).

Ondertussen tekent dit derde lied des te indringender de weg van schande die de Knecht van de HEERE gaat. Hij krijgt een geslagen rug, een uitgetrokken baard, een met speeksel besmeurd gezicht. Gewillig geeft de Knecht Zijn rug en Zijn gezicht aan hen die Hem smaden (vs.6). Hij ondergaat en aanvaardt het gericht.

Te midden van vernedering, verlating en gericht blijft Hij standvastig in het vertrouwen op Zijn Zender. Hij heeft Zich er doorhéén geloofd. Dit is een preludium op het lied van de christen die om Christus’ wil weet heeft van vrijspraak en onafscheidelijke liefde Gods (Rom.8:31-39). Het is zo zeker dat zelfs wie in de diepste duisternissen van het oordeel terechtkomt, reden heeft om te betrouwen op de Naam van de HEERE en om te steunen op zijn God, vanwege de stem van de Knecht (vs.10).

Plaatsvervangend

In het vierde en laatste Knechtlied (52:13-53:12) neemt opnieuw God Zelf het Woord. De taak die de Knecht (‘Mijn Knecht’, 52:13 en 53:11) in de eerste profetie (42:1v.) opgedragen kreeg, wordt ondanks tegenstand (49:4v.) en diepe vernedering (50:6) volkomen volbracht. De rode draad van de vernedering van de Knecht blijkt de gouddraad van Zijn verhoging te zijn.

Terwijl de vorige liederen de actieve weg van de Knecht tekenden, is Hij in deze vierde profetie vooral Degene Die passief Zijn roeping tot in de dood ondergaat. Vanaf het begin staat deze weg echter in het licht van de grote Toekomst (52:13). Recht en gerechtigheid zullen door toedoen van de Knecht zegevieren. De Man van smarten is en blijft de Koningknecht.

De intense verbondenheid tussen de HEERE en de Knecht wordt in dit ultieme lied des te indringender, als het tekent hoezeer Hij door God geslagen en verdrukt wordt (vs.4) en als het Goddelijk welbehagen samengaat met de verbrijzeling van de Knecht (vs.10).

Daar echter openbaart zich ook het diepste geheim. Zijn verwonding en verbrijzeling is immers plaatsvervangend: vanwege onze overtredingen en onze ongerechtigheden (vs.5). De slotwoorden van dit Knechtlied wijzen op diepe schuld (vs.12: ‘overtredingen’, een krachtig woord voor het omvattende misdrijf dat de mens begaat), die de Knecht plaatsvervangend en verzoenend overneemt. Door lijden komt en brengt Hij tot heerlijkheid.

Lijder en Leidsman

Het zijn de daden van God, die in en door de Knecht verkondigd willen worden. God, Die in en door de Gekruisigde overwint, openbaart Zich onder de schijn van het tegendeel. Dat was toen zo en dat is nog steeds zo. Wie zich hoopvol vastklemt aan Golgotha’s kruis, doet dat tegen al het zichtbare in. In de crises die in de laatste dagen opgeld doen, is er toekomst voor allen die van Christus zijn, omdat Gods Knecht de allerdiepste crisis, het oordeel, onderging.

De liederen van de Knecht van de HEERE maken onomstotelijk duidelijk dat wie hoort naar de stem van de Knecht, alle reden heeft om passieliederen te laten eindigen in een krachtig Halleluja. Zie onze God, de Koningknecht! De Lijder is de Leidsman tot zaligheid.

J.J. ten Brinke