Scheppingsordeningen, nog altijd geldig?

Begin dit jaar liepen de gemoederen rondom Nashville hoog op. In de verhitte discussies werd nogal eens verwezen naar de zogenaamde scheppingsordeningen.

Anderen zijn van mening dat je hierop geen beroep meer kunt doen. Hoe zit dat nu?

Nu munten emotionele (want: kwetsbare) debatten vaak niet uit in exegetische zuiverheid. Bovendien lijkt het tegenwoordig in kerk en theologie, vanwege de grote invloed die de cultuur op de exegese uitoefent, haast een ‘gebod’ te zijn het in dergelijke kwesties meteen over de boeg van de hermeneutiek te gooien.

Deze bestaat dan – ik chargeer – uit de volgende onthutsende methodiek: de Schrift zégt A, maar bedóélt B. Iemand noemde dat eens treffend de protestantse verdwijntruc. Is onze hermeneutiek (de wijze waarop wij de Schrift uitleggen) leesbril of toverstaf?

Route

In drie artikelen proberen we een aantal zaken scherper op het netvlies te krijgen. Het is niet de bedoeling de discussie rond de Nashville-verklaring over te doen, we stellen in deze bijdragen níet de kwestie homoseksualiteit aan de orde, al vormt een en ander wel een aanleiding om het begrip scheppingsorde te (over)wegen.

Het jaarthema van de Gereformeerde Bond ‘Heilig Evangelie, heilig gebod’, dat dit jaar op de ambtsdragersvergaderingen centraal staat, is uiteraard ook gebaat bij een nadere verheldering van dit begrip. Wat bedoelen we wanneer we een beroep op de scheppingsorde doen? Is ze adequaat, en belangrijker nog, is ze bijbels verantwoord?

Dit eerste artikel probeert het ontstaan en gebruik van het begrip scheppingsorde te beschrijven, terwijl de volgende bijdrage inzoomt op redenen waarom het beroep hierop volgens velen problematisch is geworden. Het slotartikel stelt een aantal schriftplaatsen centraal, met name die passages waarin het Nieuwe Testament teruggrijpt op het Oude Testament. We beperken ons daarin tot de verhouding tussen man en vrouw én het huwelijk. Hoe spreekt de Bijbel hierover? Nog altijd blijft de waarschuwing actueel dat al onze dogmatische overwegingen ‘altijd eerst onder het juk van de exegese door moeten’ (H. Berkhof).

Een bezwaar zou kunnen zijn dat we hiermee een omgekeerde weg bewandelen. Moeten we immers niet met de Bijbel beginnen? Dat zou inderdaad de voorkeur verdienen. Om de lezer toch eerst iets in te leiden in de complexe en soms verwarrende achtergronden van deze discussies, kiezen we ervoor om te beginnen met enige begripsverhelderingen en daarna bij de Bijbel te rade te gaan. Voordeel van deze benadering is dat de Schrift het laatste woord heeft. Zo hoort het immers ook. 

Levensverbanden

Onder scheppingsordeningen (aanvankelijk sprak men over de zogenaamde scheppingsordinantiën) verstond men de levensverbanden waarin God in schepping en onderhouding van de wereld structuur heeft aangebracht en die Hij ook na de zondeval handhaaft. De (nieuwe) Christelijke Encyclopedie wijst erop dat de term voor wat de Nederlandse context betreft afkomstig is uit het zogenaamde neocalvinisme – een term die gemunt werd door critici, maar spoedig een geuzennaam werd.

Met het neocalvinisme wordt de stroming binnen het Nederlandse protestantisme aangeduid waaraan de dogmatici A. Kuyper en H. Bavinck leiding gaven en waaruit bijvoorbeeld de Vrije Universiteit in Amsterdam en de Gereformeerde Kerken in Nederland en Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt zijn ontstaan.

Kuyper stelde dat er ook genade buiten de kerkmuren te vinden is. Ze heeft niet zozeer betrekking op ons eeuwig heil, maar ze bestaat hierin dat er voor de wereld levensverbanden geschapen zijn, waardoor God nog altijd zorgdraagt voor de gevallen wereld en haar bewaart voor verdere doorwerking van verderf als gevolg van de zonde. Abraham ‘de Geweldige’ noemde dit de Gemeene Gratie, ofwel: de algemene genade van God (hij schreef hier drie dikke delen over). Deze strekte zich heel breed uit, feitelijk over het hele menselijke bestaan, dus niet alleen over huwelijk en gezin, maar ook over school, opvoeding, werk, staat en overheid. Hierin ging hij duidelijk een paar stappen verder dan Calvijn, op wie Kuyper zich graag beriep. Op Calvijn kom ik nog terug, omdat bij hem, en ook vóór hem in de middeleeuwse (rooms-katholieke) theologie, het zogenaamde natuurrecht een belangrijke rol speelde.

Wisselend getijde

In een verhelderend artikel wijzen de dogmatici A. van Egmond en C. van der Kooi erop dat het beroep op de scheppingsordeningen een wisselend getijde kent. Met Kuyper en de zijnen bevinden we ons duidelijk in de periode van vloed. De dogmatische en ethische handboeken in die periode gaan vrijmoedig om met het begrip scheppingsorde.

Dat verandert echter radicaal, om te beginnen in Duitsland, waar in de jaren dertig van de vorige eeuw binnen de lutherse theologie het beroep op scheppingsordeningen feitelijk meewerkt aan de legitimatie (en zelfs sanctionering) van het naziregime. De theoloog Karl Barth doorzag dit scherp en verzette zich fel tegen elke vorm van denken vanuit de schepping, vuurbang om kennis van God te verkrijgen buiten de Zoon om. Bij Barth vallen schepping en verzoening bijna samen.

Na de Tweede Wereldoorlog beleefde het denken in scheppingsordeningen nog even een opleving in Zuid-Afrika, waar men de apartheid ermee wilde rechtvaardigen. Sindsdien is het beroep op de scheppingsorde verdacht, of zelfs (theologisch) ‘verboden’ en bevinden we ons dus in afnemend tij, om niet te zeggen een periode van eb.

Binnen de dogmatiek en ethiek wordt het beroep op scheppingsorde steeds minder of is ze zelfs verdwenen. Een treffende illustratie van dit afnemende tij vond ik bijvoorbeeld hierin dat we in de (zojuist geciteerde) Christelijke Encyclopedie een vrij summiere uitleg over de scheppingsorde aantreffen, waarin de auteur zich op de vlakte houdt ten aanzien van de waardering van het begrip, terwijl in de voorloper van deze driedelige encyclopedie (ik raadpleegde de tweede druk van de ‘zesdelige’ uit 1961) de thematiek veel uitvoeriger aan de orde wordt gesteld met een uiteindelijk positief oordeel over de scheppingsordeningen.

Kuitert

Duidelijk laagtij wordt bereikt in het denken en theologiseren van de ethicus H.M. Kuitert. Al vroeg in zijn theologisch werk keert hij zich tegen de gedachte dat we ons wat betreft de ethiek op de schepping zouden kunnen beroepen. Het is niet de geschapen wereld die ons iets meedeelt over God; de wereld is ‘leeg’ en zonder structuur. Het is aan de verlichte mens om met behulp van zijn verstand een orde aan te brengen. Het is dezelfde oud-hoogleraar van de Vrije Universiteit, die vervolgens elke vorm van schriftberoep in de ethiek resoluut afwees. Populair gezegd: de Bijbel is er voor het verhaal, niet voor de moraal.

Nu moet eerlijkheidshalve worden gezegd dat Kuitert zich terdege én uitvoerig rekenschap geeft van zijn positie, bijvoorbeeld in zijn Anders gezegd. Een verzameling theologische opstellen voor de welwillende lezer uit 1970, en later ook in diverse artikelen.

Kuiterts gedachtegoed werkte duidelijk door in de (toenmalige) Gereformeerde Kerken in Nederland. De kerkelijke discussies over de vrouw in het ambt zijn daar een voorbeeld van. K.K. Lim toonde in zijn dissertatie Het spoor van de vrouw in het ambt aan dat uiteindelijk de cultuur de doorslag gaf in het openstellen van het ambt voor de vrouw. Hier zijn én de scheppingsorde én het Schriftgezag in het geding.

In de Protestantse Kerk

Inmiddels zijn de Gereformeerde Kerken, met de Evangelisch-Lutherse Kerk en de Nederlandse Hervormde Kerk, opgegaan in de Protestantse Kerk in Nederland. Wie nu zoekt naar de term scheppingsorde in brochures en handreikingen van de Protestantse Kerk over het (homo)huwelijk en relaties, speurt tevergeefs. Zouden we mogen zeggen dat Kuiterts gedachten ook hebben doorgewerkt bij hen die zich nog altijd gereformeerd willen noemen?

C.H. Hogendoorn