Studeren na 1945

Ds. T. Poot (94): Oorlog en IsraŽl waren in onze tijd buiten beeld

In welke sfeer studeerde de naoorlogse generatie studenten theologie? Hoe stempelden Hitler-juk en Jodenvervolging de colleges, de onderlinge sfeer? Ds. T. Poot (94): ĎDe jongens die in 1945 aan de studie begonnen, waren al volwassen kerels...'

'... gerijpte mannen, getekend door existentiële ervaringen.’

Toen de laatste Duitser ons land verlaten had, zou de negentienjarige Bob Poot zijn studie theologie in Utrecht hebben kunnen beginnen. ‘Ik had echter een lange aanloop nodig. Van kindsaf aan wilde ik dominee worden, maar mijn vader stuurde me na de lagere school naar de mulo. Zijn jongste broer Jan was ds. J.J. Poot, die had in Gouda wel het stedelijk gymnasium bezocht. Ik was de oudste van negen kinderen en mijn vader zag het gymnasium niet zitten. ‘Ga naar de mulo, daar leer je ‘een bekkie Duits’ en dan kom je bij mij in de kaashandel,’ zei hij.’ 

Volwassen mannen

‘In 1941 deed ik mulo-examen, maar mijn vader gaf me weer geen verlof om naar het gymnasium te gaan, ook omdat het oorlog was. In 1944 rondde ik zodoende de hbs af. Omdat ik weigerde om dienst te nemen bij ‘de Arbeidsdienst’, een semi-militaire organisatie ten dienste van de Wehrmacht, moest ik onderduiken. Ik verbleef op een boerderij tussen Ameide en Meerkerk, door mijn oom geregeld, die predikant in Ameide was. Na de oorlog zei ik weer tegen mijn vader: ‘Ik wil dominee worden.’ Eindelijk kon ik naar het gymnasium.’ Pas op het einde van zijn leven vertelde m’n vader me waarom hij mijn keuze voor de studie theologie niet gestimuleerd had: hij was bang dat ik dominee wilde worden omdat mijn oom Jan dat ook was.

In de zomer van 1947 kwam de jonge Poot in Utrecht aan, ‘zeker wel met vijftien andere jongens. De jaren daarvoor, met name het studiejaar 1945, begon eveneens een grote groep studenten met de studie.’ 

Was de oorlog mede de oorzaak voor de keuze voor theologie, de ervaring van dood en leven?

‘De oorlogsjaren hadden al die studenten zeker gestempeld. Neem de onlangs overleden ds. H.J. Smit uit Veenendaal: die was al in Duitsland geweest, nadat hij in 1943 weigerde de loyaliteitsverklaring met het Duitse rijk te tekenen. Anderen hadden ondergedoken gezeten. Toen ik aankwam, bestond de generatie 1945 uit volwassen mannen. Neem Bert (ds. L.) Roetman en Geurt (ds. G.H.) van Kooten, dat waren kerels, geen jolige studenten die net van school kwamen. Het waren gerijpte mannen. Het was een hechte groep. Een deel van hen had tijdens de oorlog illegale colleges gevolgd.’ 

Cassutto en Boer

‘Een van hen was de bekeerde Jood Ernest Cassutto (1919-1985), die ook lid was van Voetius. Toen ik op zijn kamer (Schoolstraat 2a) een kennismakingsbezoek aflegde, gaf hij me een boekje met gedichten die zijn verloofde geschreven had, een vrouw die in het concentratiekamp omgekomen was. Dit soort existentiële ontmoetingen had je. Cassutto had de oorlog overleefd, was in die periode christen geworden en sloot zich aan bij de Messiasbelijdende Joden.

De groep was gevormd door levenservaringen. Hun geloofservaringen waren hiermee verweven. Ik denk aan ds. G. Boer, bij wie ik hier in Bodegraven op de jongelingsvereniging zat. Tijdens het bombardement op Rotterdam had hij onder het puin een existentiële ervaring die zijn verdere leven stempelde, die het gerichtsmatige in zijn prediking verklaart, het gesteld worden voor het forum van God.

De levens- en geloofservaringen van de eerste generaties naoorlogse studenten verleenden aan ons studeren en ons studentenleven een zekere rust. Natuurlijk, er was de amicitia met zijn vrolijke momenten, maar we namen in onze onderlinge gesprekken de dingen serieus.’ 

Subcultuur

‘In de tijd dat ik studeerde, van 1947 tot 1953, is er in ons land en in de wereld veel gebeurd. De staat Israël werd in 1948 opgericht, een jaar later kwam het koloniale bewind in Indonesië ten einde, het land waar veel Nederlandse soldaten naartoe gestuurd waren. Die thema’s beroerden ons nauwelijks, de studentenwereld was een subcultuur. We noemden de buitenwereld ‘de kille’, we sloten ons af van wat er daar gebeurde. Ook tijdens de colleges kwamen deze dingen niet ter sprake. Ja, mijn beste vrind zat in Indonesië en ik correspondeerde met hem, maar in Utrecht sprak niemand over wat in de overzeese delen van ons land gebeurde, ook de hoogleraren niet. De stichting van de staat Israël speelde evenmin een rol in ons studentikoze bestaan of op de colleges. Je was bezig met de studie, met preekvergaderingen. Het ging over de theologie, over Calvijn, over Kohlbrugge. De betekenis van Israël en de blijvende plaats van Israël in het handelen van God zijn voor mij pas in Nieuw-Loosdrecht gaan leven, in de tweede helft van de jaren zeventig, omdat mijn toenmalige scriba erg op Israël gericht was.’ 

Verootmoediging

‘Die subcultuur was overigens een teken van een veel bredere zwijg- en vergeetcultuur in de naoorlogse tijd. Zo meenden we de ellende van de oorlog achter ons te kunnen laten. We wilden opbouwen, vrij zijn. Een voorbeeld hiervan is wat teruggekeerde Joden overkwam: zij en hun lot werden genegeerd. Veel later kwam de bezinning op de oorlog op gang, die nu soms haast romantische trekken krijgt. Ja, ja…

Wat nooit goed op gang gekomen is, is het gesprek over de tegenstelling onder christenen met betrekking tot de juiste houding tegenover bezetter en bezetting: verzet tegen het beest uit de afgrond of ootmoedig buigen onder de slaande hand Gods? Een herinnering: ik logeerde een weekend bij ds. Boer in de pastorie van Eemnes en liet blijken dat ik participeerde in de illegale verzetsgroep van Thijs Booy, de latere secretaris van koningin Wilhelmina. Ds. Boer vermaande mij toen mijn hand niet op te heffen tegen het oordeel Gods, dat in de bezetting over ons ging! Mijn vader liet me in brieven die hij stuurde, soortgelijke tonen horen: ‘De HEERE doet mensen over ons hoofd rijden.’ Deze houding is vaak uitgelegd als lafheid, Duitsgezindheid, lijdelijkheid, maar ik ben ervan overtuigd geraakt dat de huidige neergang van geloofs- en kerkelijk leven mede het gevolg is van het feit dat er te weinig verootmoediging geweest is, in en na de oorlog. Geslagen, maar geen pijn gevoeld. Als ik deze dingen opschrijf, heb ik het ook over mezelf. Ook over deze indringende vragen was in mijn studietijd geen discussie, noch van de kant van onze hoogleraren, noch onder ons.’ 

Kerk en wereld

Ds. Poot kan niet aangeven dat de band door de naoorlogse studie intensief gebleven is. ‘Je was allemaal druk in de gemeente. De oude Voetiaanse collegialiteit beleefde ik vooral op studiebijeenkomsten ten huize van ds. Aris Kool in Utrecht, in de jaren tachtig geïnitieerd door dr. Sam Gerssen. Ja, dat was wel met een verwant groepje theologen.

Ik ben altijd lid van de Gereformeerde Bond gebleven, van harte; maar ik voelde me tegelijk meer thuis buiten de eigen, vertrouwde groep. Laat mij maar in de kou staan, contacten hebben met andere geloofsovertuigingen. Ik opereerde buiten het nest, wilde daar mijn gereformeerde identiteit bewaren. Daarom heb ik als predikant van Middelharnis in 1961 ‘ja’ gezegd op het verzoek van de Gereformeerde Bond en de IZB om bij ‘Kerk en wereld’ te gaan werken, om niet-theologen op te leiden als werkers in kerkelijke arbeid: evangelisatie en jeugdwerk (de zogenoemde WIKA-opleiding). Toen de overheid als subsidieverstrekker ook eisen ging stellen, is de academie De Horst opgericht, die onze opleiding overgenomen heeft. ‘Kerk en wereld’ onderhield toen nog een woongemeenschap voor studenten, waarvan ik rector geweest ben.’ 

Kerkorde van 1951

‘Ook de komst van de nieuwe kerkorde in 1951 beroerde ons als studenten nauwelijks. Wij kregen colleges Kerkrecht van prof. S.F.H.J. Berkelbach van der Sprenkel, ik kan me niet herinneren dat hij ooit één woord aan die nieuwe kerkorde gewijd heeft.

We hadden in die jaren in Bodegraven de Bond en de confessionelen, die strijd voerden bij ambtsdragersverkiezingen. Ik bracht ooit folders rond, ten gunste van de Bondskandidaten. Mijn oom Jan zei toen: ‘Jongen, je bent nu student, je moet studeren en je niet bezighouden met wat er in de kerk gebeurt.’ Ja, dat is typerend, je leefde als student echt in een subcultuur.

De ontdekking van wat zich afspeelde in Duitsland, de verschrikkelijke vernietiging van de Joden, drong na de oorlog pas langzaamaan door. Wij wisten nauwelijks wat er plaatshad. Behalve over de inhoud van de colleges discussieerden we over de grote vragen van wedergeboorte en bekering.

Als student hoorde ik dr. K.H. Miskotte één keer een lezing houden. Nee, hij en Noordmans kwamen pas wat in beeld toen prof. Van Ruler college ging geven. Als jonge dominee ging ik hun boeken lezen, onder andere hun studies over de catechismus.

Vergeet niet, vlak na de oorlog waren het dagen van restauratie. De grote veranderingen kwamen in de jaren zestig. In 1961 kwam ik op ‘Kerk en wereld’, kwam ik in aanraking met een generatie studenten die heel andere vragen ging stellen, vraagtekens ging plaatsen bij het gezag van de Bijbel, de plaats van seksualiteit. Dat overviel mij erg. Wij bleven als studenten in de godsdienstige, politieke sfeer van voor de oorlog.’ 

Communicatie van het Evangelie

‘Ook in de gemeenten was de oorlog niet echt een issue. De mensen hadden allen armoede gekend, moesten hard werken. Toen ik in Middelharnis kwam, was het denken gestempeld door de watersnoodramp van 1953, niet door de oorlog. De jaren na de oorlog waren jaren van wederopbouw; Nederland zat helemaal aan de grond. De politiek ging terug naar de oude partijen, je had de idee soms dat men de oorlog wilde overslaan. Vanuit de zending werden er andere vragen gesteld, zoals kritische vragen over het kolonialisme. Die zendingsmensen hadden begrip voor het nationalisme van de Indonesiërs.’

Ja, dat gold ook van de zogenoemde ‘achttien’, de negen hervormde en negen gereformeerde theologen die in april 1961 opriepen tot eenheid van de kerken waaruit Samen op Weg ontstaan is. Het waren, zoals dr. F.J. Pop zei, mensen die betrokken waren bij de communicatie van het Evangelie. Het is een misverstand – ik heb dit al hónderden keren verteld – dat het die achttien in eerste instantie om de eenwording van de kerken ging. Het ging om de evangelisatie. Je had De open deur, de Elisabethbode en andere krantjes. Als je dan aan de deur bij iemand stond, werd er gezegd: ‘Ja, gisteren kwam er ook iemand met een christelijk krantje’. Dat wilden we voorkomen. De verdeeldheid van de kerken fungeerde als een blokkade voor het evangelisatiewerk. Op een later moment tijdens ons overleg stond ds. G. Toornvliet, werkzaam bij radio Bloemendaal, op en zei: ‘We moeten een oproep laten uitgaan voor de eenwording van de kerken.’ Dát sloeg in!

Na de oorlog waren er, ook in de aan de Gereformeerde Bond verwante gemeenten, veel vacatures. Sommigen van ons kwamen daardoor direct al in (te?) grote gemeenten terecht; er was veel nood. Ik werd onder meer in Dirksland beroepen, ook een grote gemeente. In Haaften was men vijf jaar vacant; op mij werd het 26e beroep uitgebracht. In het laatste deel van mijn tijd op het seminarie kwam de CHU-minister van landbouw, ir. Cornelis Staf, op bezoek. Hij was bij Nederlandse gezinnen in Canada geweest en men zocht voor hen een predikant. Dit verzoek sprak mij erg aan, maar toch kwam de nood van Haaften naar mij toe.’ 

Invloedrijke vader

‘Van alles waarop wij na de oorlog hoopten, is weinig terechtgekomen. De wereld is diep veranderd. Kort na de oorlog was er een geweldig elan, zijn er vele kerken gebouwd, kerken die nu als supermarkt ingericht zijn of afgebroken zijn… Dat elan is snel verzand. Heel de apostolaatstheologie, die een grote invloed had en waartegen de Gereformeerde Bond ten dele terecht waarschuwde, heeft geleid tot een innerlijke uitholling. We hebben de omslag gekend van het verticale naar het horizontale.

Toen ik colloquium moest doen, had ik voor dat eindgesprek een pinksterpreek ingeleverd. Prof. S. van der Linde vroeg me: ‘Meneer Poot, welke hoogleraar heeft het meeste invloed op u gehad?’ Ik zei spontaan: ‘Mijn vader.’ Mijn manier van theologisch denken heb ik van mijn vader geleerd. Hij zei altijd: ‘Jongen, denk van bóven af, van God uit.’

In 1 Samuel 3:10 staat: ‘Toen kwam de HEERE, en stelde Zich daar.’ Dát is het; in de toenmalige ellende van Israël, een hogepriester die alleen maar zat of lag: toen stelde de HEERE Zich daar. We moeten inzetten bij God, dat mis ik vandaag de dag, ook in de ‘bondsprediking’. Het gaat erom dat de HEERE op het veld treedt en in onze nood present is. Zo voorkom je een wettische, moralistische prediking.’

P.J. Vergunst