Toezicht op ons onderwijs

Inspectie ‘bevraagt’ het Cheider op seksuele diversiteit

Toezicht op de inrichting en de kwaliteit van het onderwijs is van veel betekenis voor een samenleving. We hebben er de ‘Inspectie voor het onderwijs’ voor, die als missie ‘effectief toezicht voor beter onderwijs’ heeft. Het toezicht kan echter ook te ver gaan…

Leerlingen, studenten en ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat het onderwijs op een school goed is. Om die reden heeft de onderwijsinspectie een belangrijke taak. Het dichtst op de huid zat de inspectie de afgelopen maanden het Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam, een middelbare school op islamitische grondslag. Omdat het bestuur van de school al jarenlang contacten met terroristische organisaties zou hebben, houdt minister Slob van onderwijs de school bovengemiddeld in de gaten, met name als het gaat om burgerschapsonderwijs. Ten aanzien van dit laatste woord is er veel gaande. 

Onaangekondigd

In november startte de onderwijsinspectie met een onderzoek naar de wijze waarop scholen basiswaarden bevorderen, als onderdeel van de wettelijke opdracht van scholen ten aanzien van burgerschap. Vooral gaat de inspectie kijken naar hoe scholen vormgeven aan thema’s waarover de levensbeschouwelijke lijnen in ons land sterk uiteenlopen. Op nummer één staat dan seksuele diversiteit. Onaangekondigd zou een breed scala aan scholen bezocht worden.

Onaangekondigd… Ik vind dit een netter woord voor ‘overvalmethode’, een werkwijze die me niet lijkt te passen bij de relatie tussen onze overheid en burgers, tenzij er verdenkingen zijn van duistere praktijken. 

Bemoeienis van de overheid

Het is duidelijk: de eeuwen door is bemoeienis van de overheid met de inrichting van het onderwijs een aangelegen punt geweest. Op weg naar de bekostiging van het christelijk onderwijs was het de reden voor velen om tégen die bekostiging te zijn. ‘De opvoeding is een taak van de ouders, niet van de staat. De staatszorg is onbijbels, onchristelijk, ja onmenselijk’, klonk het in 1885 op de algemene vergadering van de Vereniging van Christelijke Onderwijzers. Lang geleden is dit, maar de gedachte dat de overheid zich niet moet inlaten met de inrichting van het onderwijs, die is uiterst actueel.

Tot 1796 was de gereformeerde religie in ons land ‘heersend’, maar toen die positie ten einde kwam, kwam het onderwijs onder verantwoordelijkheid van de staat. Het spreekt voor zichzelf dat de regering vanaf dat moment haar idealen voor de samenleving via de scholen wilde realiseren. Na de gemeentewet van 1807 moest een plaatselijk burgerlijk bestuur de kwaliteit van de school in de gaten houden. Tja, zo kwamen we in een situatie waarmee het voorschrift uit de tijd van de Reformatie voorbij was dat elke (!) onderwijzer de belijdenisgeschriften moest ondertekenen. 

Droog en slaperig onderwijs

In 1806 werd de inspectie ingesteld, kreeg de school bezoek van de districtsopziener. Het geeft een aardig tijdsbeeld als je in diens rapport over een Groningse leerkracht bijvoorbeeld dit leest: ‘Niet kundig, niet ijverig, maar voor ’t overige een zeer goed mens. Ruim twintig kinderen genoten een droog en slaperig onderwijs en maakten geen grote vorderingen; zij waren echter niet ongehoorzaam of onrein.’ Onder de inspecteurs waren er die hun christenzijn niet verloochenden, zoals Hendrik Wester, die dit advies gaf:

De Bijbel moet uw hoofdboek wezen,

daar moet gij elke dag in lezen.

Maar leest met diep ontzag, ja leest

al biddend om des Heeren geest. 

Steekproef

Andere tijden waren dit, we gaan terug naar de onze – een tijd waarin veel seculiere politieke partijen met argusogen kijken naar uitgesproken opvattingen van orthodoxe scholen, van Joodse, islamitische of reformatorische signatuur. Arie Slob – minister namens de ChristenUnie – kan ideologisch gevoede vragen van seculiere Tweede-Kamerleden over omgang met seksuele diversiteit niet negeren. Zelf is en blijft hij natuurlijk verantwoordelijk voor het neutraliseren van religieus gemotiveerde uitwassen in het klaslokaal. En dan hoeft niemand deze minister duidelijk te maken dat er een enorm verschil is tussen vermeende contacten van extremisten met het Haga Lyceum en het onderwijs waarin een bijbels onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk functioneert.

Op het Cheider, een Joodse kindergemeenschap voor basis- en voortgezet onderwijs in Buitenveldert, ging het in december mis. In het kader van het onderzoek van de inspectie naar burgerschapsonderwijs hebben beide Joodse scholen in Nederland en vijf van de acht reformatorische scholen bezoek gehad. Dat lijkt op meer dan een objectieve steekproef…. 

Verantwoording

Dat onder verantwoordelijkheid van minister Slob er extra aandacht is voor Joodse en reformatorische scholen – het is een opvallend en voor velen onverklaarbaar gegeven. Nu hoeven deze scholen hiervan geheel niet zenuwachtig te worden. Ook ten aanzien van het christelijk onderwijs moeten we immers altijd bereid zijn tot verantwoording aan ieder die rekenschap vraagt, van de hoop die in ons is, met zachtmoedigheid en ontzag, schrijft Petrus. Het is de apostel die in dezelfde brief onderwijs geeft over het gezag van de overheid én de onderlinge verhouding tussen man en vrouw. Omdat het christelijke leven één is, zit er geen ruimte in de omgang met al deze onderwerpen.

Bij het Cheider kondigde de inspectie drie minuten voordat de school betreden werd, het bezoek aan. De leerkrachten werden weggestuurd en de Joodse leerlingen kregen vragen als: ‘Weet je wel dat je later borsten krijgt? En wil jij nu een penis tekenen?’ Over sociale veiligheid gesproken… De adviesraad van het Cheider (waarvan onder anderen de oud-CDA-ministers Deetman en Veerman lid zijn, evenals opperrabbijn Jacobs en dr. M. van Campen) noemde de inval van de inspectie ‘volstrekt onaanvaardbaar’. Gelukkig zijn er Kamervragen gesteld door CDA, CU en SGP, allemaal erg ongemakkelijk voor een minister van CU-huize. In de Kamer zei Slob vorige week dat de inspectie ‘geen persoonlijke en intieme vragen’ gesteld heeft, waarop het Cheider aangaf dat die beantwoording niet klopt, terwijl ook christelijke onderwijsorganisaties een onbevredigend gevoel behouden. 

Artikel 23

Artikel 23 van de Grondwet, over de vrijheid van onderwijs, kun je de lakmoesproef noemen van hoe we in de Nederlandse samenleving met elkaar omgaan. Hoe je graag wilt dat je kind onderwezen én voorgeleefd wordt, dat raakt onze visie op de mens en de samenleving, op dit leven en het toekomende. Het vertaalt zich in persoonsbeleid en schoolboeken, in psalmen en christelijke liederen, in oog voor de kwetsbare enkeling, in leiderschap dat dienen wil.

Artikel 23 benoemt de vrijheid van onderwijs: ‘Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid…’ Gelukkig, dat staat: het Cheider en het Driestar College en al die andere scholen bepalen vanuit welk levensbeschouwelijk perspectief de leerstof aangeboden wordt. Artikel 23 bevat ook de wijze waarop de overheid zich tot het onderwijs verhoudt: ‘Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.’ Dit artikel laat ons discussiëren over de vraag of de overheid alleen kaders stelt, ijkpunten bewaakt óf zich actiever met het onderwijs bemoeien mag. 

Duidelijke missie

In een op verzoek van de Onderwijsraad – de hoeder van artikel 23 waarvan de Rotterdamse schoolbestuurder dr. Richard Toes tot voor kort lid was – geschreven essay stelt de Amerikaanse hoogleraar Charles Glenn dat er sterk positieve onderwijsresultaten gehaald worden door scholen met een duidelijk gerichte missie (!) en een sterk leiderschap. Niks geen uniforme identiteit dus, geen bleke gelijkheid… De pedagoog uit de VS bepleit het aanbieden van onderwijs dat geworteld is in een samenhangend wereldbeeld – en dat vinden we zeker in scholen met een orthodoxe signatuur.

In een vergelijkbaar essay schrijft de NRC-columnist Rosanne Hertzberger woorden die herinneren aan het verzet uit 1885 tegen de bemoeienis van de overheid: ‘Ik ben ervan overtuigd dat het belangrijk is om te kunnen ontkomen aan de staat. Dat iedereen, elke burger, elke eenling, elk gezin, elke minderheid de mogelijkheid heeft om te ontsnappen aan de dictatuur van de meerderheid.’

Daarover gaat dit belangrijke debat in ons land: ruimte voor degenen die de genderideologie niet omarmen, die binnen de democratische rechtsstaat vanuit hun levensbeschouwelijke overtuiging het goede voor hun kinderen én heel de samenleving zoeken. Dan kom je toch niet weg met de uitspraak dat ‘geloofsoverdracht niet tot de taken van de school behoort’, zoals de filosoof Stine Jensen in het kader van de onderwijsvrijheid aangaf?? 

Gebed en ontroering

In de situatie die door de minister en de inspectie ontstaan zijn, is transparantie nu het sleutelwoord. Openheid en helderheid over wat er plaatsheeft, mag van elke religieuze school verwacht worden. Hetzelfde verlangen we dan van de regering, van de ambtenaren die het beleid van de overheid uitvoeren.

Ondertussen concentreren we ons positief op de roeping van de christelijke school, bidden we om Gods zegen voor leerkracht en leerling. En we gaan door met het vertellen (Psalm 78) van de daden van de HEERE, van Zijn kracht en Zijn wonderen. En we verlangen naar mensen die in vormen uit onze tijd doen wat de Amsterdamse bovenmeester E. Kuijper blijkens dit citaat eerder deed: ‘Hij bad elke morgen met en voor de hele school, terwijl hij de zang begeleidde op het orgel. Dat gebed maakte diepe indruk, want ik herinner me stille ontroering. En ook een enkele traan van berouw, die daarna als een goed voornemen over mijn wang liep… dat waren heerlijke ogenblikken.’

P.J. Vergunst