Verharding in de kerk

Over vólharding hebben we het liever dan over vérharding. Toch wijdt de Bijbel aan het laatste begrip ook de nodige woorden. Wie zich verhardt, is onbereikbaar voor het spreken en handelen van God.

Het was een veelzeggend antwoord van het jongste kamerlid van de ChristenUnie, Nico Drost. Vanwege een zwangerschapsverlof mag hij enige maanden aan het Binnenhof werken. De journalist van het RD vroeg hem wat hij per direct veranderen zou, mocht hij voor één dag onze premier zijn. ‘Ik maak me zorgen over de omgangsvormen op het Binnenhof.’

Twee weken eerder publiceerde SGP-leider Kees van der Staaij in de ochtendkranten ‘een open brief aan heel Nederland’. Hij riep op soms tot tien te tellen, om elkaar geen kwaad te doen, om geen grenzen te overschrijden. Het was mooi dat de columniste van een seculiere krant door de open brief even googelde op ‘tien woorden’ en uitkwam bij de Bergrede: ‘Zalig zijn de vreedzamen, zei Jezus.’ ‘Meestal haak ik bij dit soort woorden af, maar deze keer niet’, schreef ze. 

Hel en hemel

Een flinterdun laagje beschaving, meer hebben mensen soms niet, ook dragers van veel verantwoordelijkheid. Neem de voorzitter van de Europese Raad, Donald Tusk. Over mensen die het prima vinden dat Groot-Brittannië zonder overeenkomst uit de Europese Unie stapt, zei hij dat er voor ‘deze patriotten een speciaal plekje in de hel gereserveerd is’. Een Engelse politicus reageerde niet minder scherp: ‘Na de brexit zullen we vrij zijn van niet verkozen, arrogante pestkoppen als u – dat lijkt mij de hemel.’

Onder de titel De verdwijnende hemel schreef prof. H.W. von der Dunk ooit duizend pagina’s over de cultuur van Europa in de twintigste eeuw. Als de hemel buiten beeld is en er geen perspectief reikt dat de aarde ontstijgt, krijgen hemel en hel een alledaagse, platte invulling. Aan de leefregels voor de omgang met elkaar die God ons schonk, hebben we dan geen boodschap. Niettemin, zelfs dat zou voor de liberale Tusk geen vrijbrief mogen zijn voor grove uitspraken. Een respectvolle omgang met andersdenkenden, zelfs met je grootste politieke tegenstander, kan nooit en nergens gemist worden.

Tweede Kamer

Je hoeft niet lang te zoeken naar veel voorbeelden van mensen die in hun taalgebruik uit de bocht vlogen. Halverwege de politieke beschouwingen na de laatste Troonrede greep Tweede-Kamervoorzitter Arib in: ‘Burgers ergeren zich aan het harde en grove taalgebruik, aan de manier waarop wij met elkaar omgaan.’ Verharding van standpunten, in de omgang met elkaar maakt het het leven er niet aangenamer op. 

*** 

In Mattheüs 24 worden verharding en volharding aan elkaar gerelateerd, als Jezus spreekt over de voleinding van de wereld. Hij voorzegt een toename van wetteloosheid, een verkilling van de liefde. Fout en goed spitsen zich beide toe: wie vuil is, die wordt nog vuiler; wie rechtvaardig is, wordt nog meer gerechtvaardigd. Om die reden tekent de Heere Jezus niet alleen het levensklimaat van de laatste dagen, maar geeft Hij ons vooral een opdracht en een belofte: ‘Wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.’ Volharding als antwoord op verharding. 

In Egypte

In de Bijbel is verharding een aangrijpende realiteit, die we tegenkomen als mensen onbereikbaar worden voor het spreken en handelen van God, voor Zijn reddende daden, onbereikbaar voor de liefde van Christus. Verharding is een bewust antwoord op ontferming. Zo reageert farao op Gods bevel om Israël te laten vertrekken. Zijn weigering om te luisteren betekent uiteindelijk de dood van alle eerstgeboren jongens én de verdrinkingsdood van het Egyptische leger in de Schelfzee. Verharding, ze leidt tot de dood.

Die verharding is een wisselwerking in het handelen van de mens en van de Heere. Als de mens in ongehoorzaamheid het gebod ten leven afwijst en zich verhardt, brengt de Heere deze verharding ook zelf, wat Jesaja (63:17) doet bidden: ‘Heere, waarom doet u ons afdwalen van Uw wegen? Waarom verhardt U ons hart, zodat wij U niet vrezen?’ Niets rest de profeet in die situatie dan een beroep te doen op Gods machtige daden, op Zijn innerlijke barmhartigheid, op Zijn Naam, ‘onze Verlosser van oude tijden af’.

Onze houding

Met een beroep op Psalm 95 klinkt in de Hebreeënbrief een appèl op de gelovigen om zich niet te verharden. Wie van Gods daden weet en niet luistert, die speelt met vuur, omdat de ingang in het beloofde land op het spel staat, de ingang in de rust. Verharding binnen de gemeente, ze heeft plaats door de verleiding van de zonde. (Hebr.3:13)

Verharding krijgt niet alleen vorm in zondige daden, maar ook in onze houding. Het gaat om niets minder dan om je hard maken tegen de invloed van het Woord van God. Laat ik me leiden door de Geest Die uit God is (1 Kor.2) of door de geest van de wereld? Dat komt voor elke christen dichtbij, omdat we hier niet meer spreken over Donald Tusk, over al dan niet populistische leden van de Tweede Kamer. 

Vrede en blijdschap

Is er binnen de gemeente van Christus vandaag een vorm van verharding waarneembaar? Ja, zonder meer. Waarom zou het denken van de wereld immers niet binnendringen in de kerk? Alertheid wordt om die reden verlangd van ons. En de vraag telt daarom of het Woord van God beslissend gezag heeft in de omgang met de ander, met een mening die de mijne niet is. Mensen die hier en daar op gemeenteavonden komen – en ik reken me tot hen –, die nemen die verharding waar.

Naast al het goede, naast het sámen zoeken naar de wil van de Heere voor de gemeente, is er meer dan incidenteel een houding tegenover de ander waarvan je denkt: Zo mag het niet, dit past Christus’ gemeente niet, zo geef je als ambtsdrager (NB!) geen geestelijke leiding, hier is nog niet verinnerlijkt dat (Rom.14:17) ‘het Koninkrijk van God uit gerechtigheid en vrede en blijdschap in de Heilige Geest bestaat’.

Vredestichters

Ten dienste van de kerk is ooit het ‘Netwerk Vredestichters’ opgericht, waarvan het bestaansrecht ons al zou moeten doen blozen. In een recente bijeenkomst van het netwerk is gesproken over conflicten in de kerk, die niet gaan over grote, bijbelse noties, maar over de zogenoemde middelmatige zaken. Veelzeggend is dat.

Enige maanden geleden stelde ik een wedervraag toen op een gemeenteavond iemand zich distantieerde van het beleid van de kerkenraad om het ‘Ere zij God’ voor de dienst te zingen, niet in de dienst: ‘Zou uw Kerstfeest fijner of gezegender zijn als de volgorde andersom geweest was?’ Nu mag een dergelijke vraag beslist aan de orde komen, al beseffen we dat de eigenlijke vraag is hoe we in Gods gemeente omgaan met een verschillend inzicht in kleine kwesties.

Weerloos

Als nooit tevoren leven we in tijdperk van verandering. Individualisme kan de gemeenschap van de gemeente breken. Wat ik vind ten aanzien van de liturgie, ten aanzien van het jeugdwerk, dát moet gebeuren. Het verlangen om in dit leven te willen genieten, jezelf te moeten ontplooien, kan botsen met de context van de gemeente, waarin we vooral geduld met elkaar hebben, waarin maakbaarheid er niet is. Een tekort aan kennis van het Woord, ook van de inhoud van de belijdenis, kan de gemeente weerloos maken, zeker als een en ander de ambtsdragers betreft. Want dan spreken we met de ander niet op basis van wat God ons in het Woord voorhoudt.

Als de gemeente niet meer gezien wordt als de plaats waar ouderen en jongeren, dertigers en vijftigers, samenleven, focussen we zomaar op de wensen van een doelgroep. Als er geen tijd en rust is om de omgang met God te zoeken – in een bezet leven een reëel gevaar –, neemt de druk om juist op zondagmorgen iets te ervaren toe. Als de eerbied voor God wijkt, dan kan er van alles misgaan, want dan sta ikzelf centraal. Waarover is er dán geen discussie? Van ambtsdragers vraagt het veel, ook in hun onderlinge omgang. 

Elkaar vergeven

Zullen we anno 2019 te midden van alle vragen die zich aandienen, opnieuw mogen ontdekken wat de gemeente is, van Wie de gemeente is? Tegen haar (eerst tegen die van Efeze, maar via de Bijbel tegen elke gemeente) zegt Christus dat we de duivel geen plaats moeten geven, dat er iets goeds, iets tot opbouw uit onze mond moet komen (Ef.4:29), opdat dit genade geeft aan hen die het horen. Dan bedroef je de Heilige Geest van God niet, dan ‘ben je tegenover elkaar vriendelijk en barmhartig, dan vergeef je elkaar, zoals God in Christus mij vergeven heeft’. In Efeze 4 kom je geen denken tegen in winners en verliezers; ook geen conservatieve of progressieve mensen. Dat ik horen mag bij de gemeente, gedragen door het verbond, waarin God de Eerste is en de Laatste, het maakt me trouw en bescheiden.

Het laatste woord is gelukkig niet voor Donald Tusk en de zijnen, maar voor Petrus en de zijnen: ‘Weest allen elkaar onderdanig. Weest met nederigheid bekleed. Weest nuchter en waakzaam. Biedt weerstand aan de duivel. En als de Opperherder verschijnt, zult u de onverwelkbare krans van de heerlijkheid verkrijgen.’

P.J. Vergunst