Wat te doen als het geloofsleven kil wordt?

Zomer, winter, lente

Wie belijdenis van het geloof aflegt, beleeft vaak de zomer in het geloofsleven. Het licht van Gods goedheid en genade straalt voelbaar over je leven. De warmte van Zijn nabijheid geeft vreugde.

Maar wat nu als het later mistig is, koud en kil?

Wie belijdenis gaat doen, leeft dicht bij God. En wat willen jonge lidmaten dat graag ook delen met mensen om hen heen. Het geloof bloeit op, het bloeit open. Het is zomer in je geloofsleven. Maar wat nu als er andere tijden komen, als God zo ver weg lijkt en het vertrouwen, de vrede en de vreugde ver te zoeken zijn? Is het geloof dan verdwenen als sneeuw voor de zon? 

Zeker en vast

Om dat scherp te krijgen, doen we er goed aan om geloof onder de loep te nemen en te zien wat het is. Wanneer we het woord geloof in het Oude Testament tegenkomen, staat er in het Hebreeuws een woord waar wij het woord ‘amen’ in horen. Het gaat om iets wat zeker en vast is, wat betrouwbaar en onwankelbaar is. Het biedt veiligheid en stabiliteit. Het is een trouw die zich vasthecht aan de God van Israël. Geloven is met volle overtuiging amen zeggen en amen doen.

In het Nieuwe Testament wordt een woord gebruikt dat daarop aansluit. Het Griekse woord laat zich goed vangen met het begrip ‘vertrouwen’. Vertrouwen dat zich in het bijzonder richt op de Heere Jezus Christus. Het is niet vreemd dat de schrijvers van de Heidelbergse Catechismus dat woord vertrouwen breed uitmeten wanneer zij uitleggen wat een waar geloof is (vraag en antwoord 21). 

Vertrouwen

Dat vertrouwen wordt gevoed vanuit de kennis van wie de Heere is, zoals een jongen en een meisje elkaar leren kennen. Ze praten heel wat af, ze appen veel met elkaar, over van alles en nog wat, op de meest vreemde momenten van de dag.

Intussen ontstaat een vertrouwensband. Zo is het ook in de relatie met de Heere God. We herkennen dat vast wel. Er is die enkele preek of die ene bijbelstudie die we nooit meer vergeten, omdat het een omslag teweegbracht. Tegelijkertijd doen die eerdere preken en catechisatielessen die minder opvielen mee, evenals onze opvoeding waarin we liefdevol in aanraking gebracht werden met de God van de Bijbel, ook al vinden we het allemaal zo gewoon dat we er nauwelijks bij stilstaan. Door dat alles heen heeft de Heere Zich bekendgemaakt, in het bijzonder Zijn liefde laten zien, dat Hij Zijn eigen lieve Zoon naar de aarde heeft gestuurd om ons te redden, ons vergeving te schenken voor al onze missers, voor ons totale tekort. 

Overgave

Door Zijn liefde leerden we ons overgeven aan de Heere, ons aan Hem te hechten, Hem te omhelzen, op Hem te bouwen, Hem te dienen en op Hem te hopen.

Hoe komt dat precies? Heel mooi wordt dat inzichtelijk in de geschiedenis van Lydia (Hand.16:14). Bij het kabbelende water luistert ze in de open lucht naar de preek van Paulus. En de Heere opent haar hart, zodat ze acht geeft op wat Paulus zegt. Deze overgave heeft een mens nooit van zichzelf (Matt.16:17). Van huis uit heb ik geen behoefte aan de woorden van God, weet ik het zelf veel te goed. Maar de Heilige Geest zorgt ervoor dat de woorden van God landen in ons leven. De Heilige Geest zorgt dat de Heere Jezus de liefde van mijn hart is, dat ik veranderd word en vernieuwd. De Heilige Geest smeedt een levendige band van geloof tussen ons en de Heere.

Daardoor zijn de dingen van geloof geen algemene waarheden meer, ze zijn niet alleen mooi voor anderen. Door die persoonlijke band leren we zeggen: ‘Mijn Heere, mijn God! Heerlijk is het als we dat ervaren en vreugde en vrede ons hart in vervoering brengen en we uit volle borst zeggen en zingen: Mijn Jezus, mijn Redder. Dank U, o mijn Vader dat U Uw eigen Zoon gaf voor mij. Dat ik het leven vond, terwijl ik het niet verdien.’ 

Op een lager pitje

Maar er zijn in het leven van het geloof ook andere momenten. Wij leven in een wereld vol gebrokenheid. Die gebrokenheid is niet alleen om ons heen, maar ook in ons. We laten ons verleiden tot zonde. Oude patronen worden weer leidend in ons leven. Soms is er zelfs pure onwil om God te gehoorzamen. Bijbellezen verschraalt. Gebedsleven komt op een lager pitje te staan. Er komt tegenslag en teleurstelling in het leven die de nodige vragen en twijfels met zich meebrengen. Waarom gaat het zoals het gaat? Waar is God? Waarom lijkt het alsof ik tegen de muur praat als ik bid? Er zijn momenten van onzekerheid: nu ben ik weer in de fout gegaan, wil God mij nog wel genadig zijn? Als ik echt een kind van God zou zijn, dan zou het toch wel eens een keer anders zijn in mijn leven.

Hoe staat het op dat soort momenten met geloven? Kun je wel spreken van een vast vertrouwen als het gevoelsmatig zo tussen je handen door kan glippen? Kun je zeker zijn van je geloof?

Calvijn, de bekende reformator, zegt hierover mooie dingen in de Institutie. Daarin maakt hij onder meer duidelijk: Het geloof heeft de welwillendheid en goedheid van God gezien en klemt zich daaraan vast. Dat geloof is per definitie zeker van zijn zaak. Al is het geloof zo klein als een mosterdzaad. Het gaat wat dat betreft niet om de mate van het geloof, maar om de kwaliteit. In ons spraakgebruik wordt geloof wel tegenover weten geplaatst, alsof geloof toch iets twijfelachtigs blijft: ‘Je moet het maar geloven.’ Echter, geloof steunt met een vaste zekerheid op God en Zijn woorden. Juist omdat het Gods woord voor waarheid houdt. Dat geloof blijft, al is het geloofsleven vaak onrustig en voelt een gelovige zich vaak zo onzeker. Dat komt omdat er in ons zoveel kan huizen aan twijfel en vragen, ongeloof en zonde, dat het geloof overwoekerd wordt en dat het geloof ook zo weinig werkzaam is. Over de stand van zaken in ons leven kan er onrust komen doordat er te veel focus is op zonde en twijfel of doordat ons zicht op de werkelijkheid bepaald wordt door ervaring. Wanneer ik het niet ervaar, is het er ook niet. 

Vaste grond

Hoe wordt het in ons geloofsleven na een winter dan toch weer lente? Als Paulus in Romeinen 4 schrijft over het geloof van Abraham, dan maakt hij duidelijk dat dit geloof van Abraham zich richtte op de belofte. Door het geloof in de belofte werd hij gesterkt (Rom.4:20). De belofte overtuigde Hem van wat God zou doen (Rom.4:21). Wat is het wezenlijk om het anker van mijn levensschip welbewust uit te gooien, buiten mezelf, in de vaste grond van de beloften van het Evangelie. Die vaste grond is niets anders dan de Heere Jezus Christus zelf. Want in Hem zijn de beloften van God ja en amen (2 Kor.1:20). Hij heeft met Zijn dood en opstanding het fundament van de zaligheid gelegd. Uit genade mag je leven van Zijn gerechtigheid en heiligheid.

Op de bodem van de belofte groeit het geloof, maakt Calvijn treffend duidelijk. Juist wanneer het koud en kil is en God ver weg lijkt, pak je de Schrift erbij om te lezen wat God je toezegt. Om daarvoor te buigen en je daardoor te laten dragen. Wanneer het donker is, is het hoog tijd om onze doopbeloften te doordenken en erover te mediteren: dat God een Vader is en om Christus wil onze zonden wil vergeven en dat Hij door Zijn Geest ons wil inlijven in de Heere Jezus.

De Heilige Geest stimuleert dat ook. De gelovige kan ten diepste met al die kilheid niet leven. De Geest zorgt voor onrust en ontevredenheid. Ik loop zomaar vast met de status quo van mijn zonden. Op de Heere Jezus en op Zijn woord moet het aan. Terwijl ik teruggrijp op de belofte, bid ik: Heilige Geest, vul mijn hart opnieuw! Wat een troost is het dat wie bidt om de Heilige Geest, nooit vergeefs bidt (Luk.11:13). 

Beloften

Door de kracht van de Geest en levend uit de beloften van het Evangelie gebeurt het zomaar dat het zomert, terwijl er in het leven zoveel is wat aan de winter doet denken, aan teleurstelling, aan verdriet, aan pijn. Ondanks mijn zonde wordt het dan zomer, omdat ik leun op God mijn toeverlaat en omdat Zijn woord mijn blijde hoop is. ‘Ik roem in God, ik prijs het onfeilbaar Woord, want ik heb het zelf uit Zijne mond gehoord, ’k Vertrouw op God door gene vrees gestoord.’ En op zijn beurt doet dat dan weer verlangen. Want eens komt de grote zomer. 

Ds. W.J. Westland