Wetenschap en geloof

Aanvaarden evolutiebiologie raakt het gezag van de Bijbel

Kun je in de schepping door God geloven en tegelijk de evolutietheorie aanvaarden? Wat zijn de consequenties van een harmoniemodel, dat natuurwetenschappelijke inzichten wil verbinden met een christelijk scheppingsgeloof? Wat is het alternatief?

‘Wetenschap en geloof’ is het thema van het januarinummer van Kontekstueel, ‘tijdschrift voor gereformeerd belijden nú’. Een belangrijk en herkenbaar thema voor veel christenen, zeker als het gaat om de natuurwetenschappen. Kontekstueel spitst dit thema toe op de vraag of je in de schepping door God kunt geloven en tegelijk de evolutietheorie kunt aanvaarden.

Ieder antwoord op deze vraag heeft grote gevolgen. Wie stelt dat dit samengaan niet mogelijk is, lijkt te moeten kiezen: óf afstand nemen van het bijbelse scheppingsgeloof, óf afstand nemen van de evolutiewetenschap. In een interview in dit themanummer waarschuwt prof.dr. G. van den Brink bij deze laatste gedachte. We komen dan immers in twee gescheiden werelden terecht – de wereld van zondag en de wereld van maandag, waar kansel en katheder volstrekt van elkaar gescheiden zijn. Een christenwetenschapper is dan op zondag een gelovige, op maandag een wetenschapper. Hij leeft in twee werkelijkheden. Voor een christen die God dagelijks wil dienen, is dat onmogelijk. Die waarschuwing lijkt me terecht.

Harmoniemodel

Zelf kiest dr. Van den Brink er daarom (opnieuw) voor om de gangbare inzichten van de evolutiebiologie serieus te nemen en deze te verbinden met het christelijk geloof aangaande de schepping. Op deze wijze plaatsen we onszelf niet buiten het wetenschappelijk debat maar kunnen we juist als christenen ons (getuigend) daarin mengen.

Aan dit harmoniemodel hangt echter ook een zeer hoog prijskaartje: het raakt het gezag en de uitleg van de Heilige Schrift. In het betreffende interview wordt Van den Brink met name bevraagd over de consequenties van dit harmoniemodel voor ons spreken over de zondeval. Van den Brink stelt immers dat de mens uit het dierenrijk is opgekomen via een struggle for life en dat er op de een of andere manier altijd al een vorm van lijden in de wereld heeft bestaan. God heeft Zijn scheppend handelen niet afgerond in een volmaakt goede schepping, maar is nog steeds scheppend bezig: via Christus naar de definitieve herschepping. Toch is de zonde geen lot over de mens: toen hij de keus kreeg om aan Gods roeping te beantwoorden en moreel besef kreeg, maakte hij de keus tégen God. Een keuze ‘om te blijven bij de agressie die hij geërfd heeft van dierlijke voorouders’.

Op deze wijze doen wij, aldus dr. Van den Brink, in de uitleg van de Schrift recht aan de resultaten van wetenschappelijk onderzoek. We laten de bijbelse kernen van zonde en schuld staan, en ook blijft het werk van Christus als middel tot verzoening en rechtvaardiging staan. De kern van het Evangelie komt dus niet in het geding. Die stap zou Van den Brink ook nooit willen maken.

Vragen

Consequentie is echter wel dat we de klassieke uitleg van een aantal Schriftgegevens (met name in Genesis 1-3) niet langer kunnen handhaven. Nu moet ook de klassieke uitleg altijd getoetst worden aan de Schrift zelf. Daarom blijven we haar eerbiedig onderzoeken om haar te kunnen uitleggen. Maar de uitleg van enkele Schriftplaatsen raakt de uitleg van de gehéle Schrift, en moet zich ook verantwoorden tegenover de gehele Schrift.

Ik noem enkele voorbeelden en wil dr. Van den Brink daarbij ook vragen stellen. Als we in Romeinen 8:20 lezen over de zinloosheid waaraan de schepping onderworpen is, is het (volgens de gangbare uitleg) de in zonde gevallen mens die haar daaraan onderworpen heeft. Hoe onderbouwt Van den Brink de afwijkende en verstrekkende exegese dat Paulus bedoelt dat God iets van zinloosheid en gebrokenheid in Zijn schepping geweven heeft? En heeft de schepping dan vóór de zondeval ook al gezucht, als in barensnood (Rom.8:27)?

Daarbij: als er voor de zondeval al lijden was, moet ook de dood er geweest zijn. Hoe houden we dit staande tegenover Schriftwoorden die zeggen dat door de zonde de dood in de wereld gekomen is (Rom.5:12)? Hiermee kan toch onmogelijk alleen een geestelijke dood bedoeld zijn.

Voorlopig?

Een andere kwestie: kunnen we op grond van de Schrift zeggen dat de schepping een geleidelijk proces is dat pas in de voleinding (het eschaton) tot voltooiing komt? Waarom zegt Genesis 2:1/2 dan dat de hemel en de aarde ‘voltooid’ zijn? Was Heere voorlopig klaar en liet Hij een aantal schaduwzijden bestaan, zoals agressie en lijden? Waarom zei Hij dan dat al wat Hij gemaakt had, zeer goed was (Gen.1:31)? Dat roept ook de vraag op hoe een volmaakt God een onvolmaakt werk kan doen en daarvan kan rusten (Gen.2:2).

Wijzen vele Schriftgegevens niet naar een staat der rechtheid waarin het leven was zoals de Heere het bedoeld had, en zoals het met Zijn wil en wezen in overeenstemming was? Opmerkelijk is bijvoorbeeld dat Openbaring 22 beelden uit het paradijs gebruikt zoals het begin van Genesis daarover spreekt: een boom des levens en levenwekkend water. Dat roept toch de herinnering aan een volmaakt paradijs op, evenals de belofte dat de dood er niet meer zal zijn (21:4) eraan herinnert dat er voor de zondeval geen dood, rouw en tranen waren.

Historiciteit

Als we in Genesis 1:26 en 5:1 lezen dat Adam naar het beeld en de gelijkenis van God gemaakt is, geschapen uit het stof der aarde (2:7), is duidelijk dat de mens principieel en soortelijk onderscheiden is van de dieren en ook niet uit het dierenrijk voortkomt (zie ook Hand.17:26). In het interview valt bij dr. Van den Brink dit onderscheid weg en is het beeld-van-God-zijn ‘het vermogen om relaties aan te gaan’. Houdt het beeld-van-God-zijn niet veel meer in, getuige bijvoorbeeld de teksten in het Nieuwe Testament die spreken over de herschepping naar het beeld van God in Christus (bijv. Ef.4:24)? Hier wringt het ook met zondag 3 van de Heidelberger, en dreigt het karakter van de zondeval te verbleken.

En als we omwille van de evolutietheorie Genesis 1-3 niet meer in zijn geheel als historie moeten lezen, hoe lang houden we dan nog de historiciteit van Adam en zijn val staande, en waar beroept Paulus zich in Romeinen 5 dan op als hij de vergelijking maakt tussen de eerste en de tweede Adam? Welke zin heeft de historiciteit van Christus en Zijn werk, als de historiciteit van Adam en zijn val in de lucht komen te hangen? Is Genesis 1-3 dan tot een leermodel geworden, dat in feite losstaat van mijn concrete werkelijkheid en historiciteit? En vanaf welk moment in Genesis gaat het dan wél over concrete historie? Vanaf de zondvloed? Abraham?

Verstaanskader

Met bovenstaande vragen wil ik aangeven dat aanvaarding van de evolutietheorie een andere (of zelfs tegenovergestelde) uitleg van Schriftgedeelten vereist om niet in de gevreesde of-of-positie terecht te komen.

Wat ten diepste gebeurt in het harmoniemodel van dr. Van den Brink is dat de evolutiebiologie een verstaanskader van de Schrift is geworden. De Schrift moet uitgelegd worden op een manier die niet conflicteert met (bijvoorbeeld) de evolutiewetenschappen. Tekenend is Van den Brinks uitdrukking ‘dat zou goed passen bij de evolutietheorie’. De evolutietheorie is een hermeneutische sleutel geworden.

Daar ligt mijn theologische bezwaar. Aan Van den Brink wil ik vragen of dit harmoniemodel niet in conflict komt met een van de reformatorische grondregels in het lezen van de Bijbel: de Heilige Schrift is haar eigen uitlegster. Want de Schrift is openbaring van de levende God en de wijze waarop Hij reddend en verlossend met mensen in een relatie treedt. De Schrift verkondigt ons een ‘vreemde’ God, een niet-logische God, een God Die anders is (en hoger) dan alle goden.

Dr. Van den Brink zal dat laatste beamen. Maar apologetisch werkt dit harmoniemodel juist ontkrachtend. Apologetiek is toch niet dat wij de godsopenbaring wetenschappelijk aanvaardbaar maken? Bovendien betaalt het christelijk geloof in dit model de volledige prijs voor de harmonie, terwijl de evolutietheorie veel minder pijn lijdt en God nog steeds met gemak buiten beschouwing kan laten.

Doordenking

Ondanks dr. Van den Brinks hoge ambitie en goede bedoeling om met de natuurwetenschap in gesprek te zijn, meen ik dat we deze ingeslagen weg onbegaanbaar maar ook ontoegankelijk moeten noemen. Een alternatief bestaat naar mijn overtuiging uit een aantal principiële noties.

In de eerste plaats hebben we een verdere doordenking nodig op het gebied van wetenschapsdefinities en -filosofie. Hoe zeker zijn theorieën over de oorsprong van de mensheid, en welk gezag moeten we aan deze theorieën toekennen? Het zijn immers verklaringsmodellen, die altijd aan verandering onderhevig zullen zijn. In welke mate bieden zij ons dan kennis, en welke aard heeft deze kennis dan?

Uit deze doordenking moet blijken wat het onderscheid is tussen wetenschap en geloof, die beide over dezelfde (!) werkelijkheid spreken, beide een eigen vorm van kennis hebben. In plaats van een harmoniemodel moeten we zoeken naar een verantwoord gespreksmodel.

Vervolgens moeten we ons bezinnen op de wijze waarop we de Heilige Schrift uitleggen. De Heilige Schrift vraagt een eigenstandige uitleg. Daarmee bedoel ik een leeswijze die niet op voorhand door de theorieën van (natuur)wetenschappen is bepaald. In die bezinning hebben wij elkaar de komende jaren nog hard nodig.

A.J. Mensink

Ds. A.J. Mensink is predikant van de hervormde gemeente (b.a.) te Krimpen aan den IJssel en voorzitter van de Gereformeerde Bond.