Zusters en het ambt

Marges worden smaller om het eigene van man/vrouw te benoemen

Dreigt er in de Protestantse Kerk een nieuwe discussie op te laaien over vrouw en ambt? Nee, dat niet. Wel klinkt meer en meer het woord ‘discriminatie’ richting degenen die in de Bijbel geen ruimte zien voor de vrouw in het ambt.

Het begon met het appèl dat zeven (oud-)synodeleden op 16 januari publiek maakten, gericht aan onder meer het bestuur van de Gereformeerde Bond. De zeven constateren met ‘droefheid dat in een deel van onze kerk kerkenraden uitsluitend bestaan uit mannelijke ouderlingen, diakenen en predikanten. Nog steeds worden in een deel van onze kerk vrouwen geweerd uit de ambten om het enkele feit dat ze geen man zijn’. Gelukkig is er bij hen niet alleen droefheid: ‘We zien ook met vreugde dat in het deel van de kerk waar vrouwen nog uit ambten geweerd worden, zij wel in andere rollen royaal worden ingezet met hun talenten en inzichten.’

‘Kenmerk van orthodoxie’

Toch vinden ze dit te weinig: ‘Die ruimte voor diversiteit schiet door als het feitelijk weren van vrouwen uit ambten stelselmatig niet ter discussie wordt gesteld of zelfs wordt gekoesterd als kenmerk van orthodoxie. Wij verlangen naar een kerk waarin over de hele breedte vrouwen niet meer van de preekstoel worden geweerd en waar in kerkenraden, classes en synode mannen en vrouwen een gelijkwaardig gewicht in de schaal leggen. We denken dat dit goed zou zijn voor besluitvorming en beleid en dat dit meer is in de geest van de woorden van de apostel Paulus.’

Tot slot volgt de concrete oproep van de zeven, waarin ze verwoorden waarom de Gereformeerde Bond in hun optiek geen voorstander is van vrouwen in het ambt en waarin het wat weinig respectvol lijkt te worden: ‘Wij roepen de kerkenraden en theologen die zich rekenen tot de gereformeerde traditie, het bestuur van de Gereformeerde Bond en aanverwante organisaties op, om bij zichzelf te rade te gaan of het geen tijd wordt om deze wissel nu ook om te zetten. Maak een einde aan te gemakkelijk conservatisme dat zich telkens weer verschuilt achter een paar eenzijdig geïnterpreteerde bijbelteksten en aanvechtbare theologische redeneringen over mannelijke eigenschappen die noodzakelijk zouden zijn voor de bediening van Woord en sacrament of het leiding geven in de kerk!’

(Oud-)synodeleden

De brief leidde in diverse media tot berichten als zou het thema van de vrouw in het ambt, die momenteel de christelijke gereformeerde synodeleden uit hun slaap houdt, tot felle discussies in de Protestantse Kerk leiden. Welnee, zo is het niet, dan máken de kranten het nieuws. Er gebeurde niets meer dan dat zeven mensen een brief schreven, zeven van de 1,7 miljoen leden. Dat ze lid waren of zijn van de synode, is niet relevant, want ze spraken niet namens de synode.

Vanuit gemeenten hoorde ik er ook wel van, een brief van een x-aantal oúd-kerkenraadsleden, die daarmee suggereerden dat ze een zekere status hebben die uitreikt boven de andere gemeenteleden. Nee, wie lid is van de synode, moet ín de synode het kerkelijke gesprek voeren, en niet als enkel synodelid naar buiten treden. Dat lijkt me een goed omgaan met het ambt dat je draagt of droeg. 

Discriminatie?

De brief van de zeven toont opnieuw dat niet alleen in de samenleving, maar zelfs in de kerk de marges smaller lijken te worden om het eigene van man en vrouw vanuit Gods Woord te blijven benoemen. Het gesprek voorafgaande aan de benoeming van ds. M.C. Batenburg tot preses van de kerk duurde in november vooral lang omdat hij lid van de Gereformeerde Bond is, en daarmee vrouwen en homoseksuelen zou discrimineren – zo vernam ik na afloop in de synodale wandelgangen. Op de avond van de verkiezing was er een synodelid dat het manifest ‘Vrouwen binnen bestuursraden’ wilde aanbieden aan de scriba van de kerk.

Toen eind september de vuistdikke bundel Spirituele oecumene verscheen, werd de uitgave niet eerst inhoudelijk beoordeeld, maar ontstond er discussie over het beperkte aantal vrouwelijke theologen dat meegeschreven had. Samuel Lee, inmiddels ‘Theoloog des Vaderlands’, trok daarom zijn bijdrage in en prof. Peter-Ben Smit – aan de Vrije Universiteit hoogleraar contextuele bijbelinterpretatie – riep de andere auteurs op dat ook te doen.

Een laatste voorbeeld: nadat prof. H. van den Belt in een toespraak voor ‘bezwaarde vrijgemaakten’ verwoordde geen ruimte te zien voor de vrouw in het ambt maar wel in een kerkelijke bediening, reageerde PThU-hoogleraar prof. M. Barnard op twitter dit ‘verschrikkelijk’ te vinden, ‘anno 2019, mensen, 52 jaar nadat zijn Nederlandse Hervormde Kerk het ambt openstelde voor vrouwen’. Tegen het Nederlands Dagblad zei Barnard in een toelichting: ‘Aan de PThU starten we, conform de Kerkorde van de Protestantse Kerk, bij de positie dat er in het ambt ruimte is voor man en vrouw, en dat heeft iedereen te respecteren.’ 

Minderheidspositie

Ik zie hier een bekend mechanisme. Als de meerderheid over een thema anders gaat denken dan (eeuwenlang) gemeengoed was, is er aanvankelijk ruimte voor mensen die een minderheidspositie innemen. Denk aan 2001, toen ons land als eerste ter wereld het zogenoemde homohuwelijk invoerde. De toenmalige GroenLinks-leider Femke Halsema was daarbij van mening ‘dat ruimhartig moet worden omgegaan met ambtenaren die principiële of religieuze bezwaren hebben tegen het huwelijk van homoseksuelen’. Zes jaar (!) later was het standpunt van GroenLinks: ‘Als ambtenaren zich niet in de wet kunnen vinden, moeten ze ander werk gaan doen.’ Woorden uit 2001 als ‘zorgvuldigheid’ en ‘tolerantie’ waren vergeten, het woord ‘weigerambtenaar’ was in de tussentijd uitgevonden… 

Geheel van de kerk

Twee dingen wil ik vooral inbrengen, waarmee ik voorbijga aan de woorden van de zeven synodeleden over mannelijke eigenschappen die nodig zouden zijn om het Woord te bedienen, alsof dát aan de orde is. Allereerst dit: het gaat de Gereformeerde Bond in zijn missie voor de kerk niet om een uitzonderingspositie voor gemeenten die geen huwelijk van mensen van hetzelfde geslacht willen zegenen, die geen vrouwen in de ambten bevestigen, die wel warm woorden van de inhoud van de catechismus over de enige troost in leven en sterven, en die daar hun leerdiensten mee vormgeven, die de eredienst beleven als de bediening van de verzoening.

Nee, wat we ontvingen in het lezen van de Heilige Schrift, wat de kerk ontdekte en beleed op kruispunten in haar eigen geschiedenis, dat willen we inbrengen in het geheel van de kerk. Zo mag De Waarheidsvriend elke week een appèl op, een open brief aan het geheel van de kerk zijn, waarbij de afzender als eerste zichzelf aanspreekt, onder het gezag van het Woord plaatst.

De Gereformeerde Bond heeft als zijn missie dat de Protestantse Kerk als geheel zich gebonden weet aan de belijdenis – en die belijdenis zegt ons voor dat we het Woord van God ontvangen om ons geloof naar te reguleren en erop te gronden. De eigenheid van man en vrouw maakt daarvan onderdeel uit. Dat blijven we inbrengen, zowel bescheiden in onze houding als er innerlijk van overtuigd dat een gehoorzame houding ten opzichte van het Woord tot zegen is voor kerk en maatschappij. Zouden de zeven (oud-)synodeleden daarom nog eens willen nadenken over vrouw en ambt? 

Grote wijsheid

Als laatste dit: de kerk is geen democratie (al wordt de kwaliteit van een democratie zichtbaar in hoe ze omgaat met minderheden), waarin de meerderheid het gelijk aan haar zijde heeft. Zeker in de hervormde traditie is dat ten zeerste beseft, ook toen de kerk in richtingen uiteenviel, richtingen die daarna modaliteiten werden. Toen de synode in 1958 ruimte gaf voor de vrouw in het ambt, was er een herderlijk schrijven voor bezwaarden. Toen bepleitte de synode ‘grote wijsheid’ en schreef ze: ‘Wij zouden het een juiste wijze van omgang met elkander achten als een predikant die bezwaren heeft tegen een vrouwelijke ouderling, niet door een vrouw naar de kansel werd geleid.’

In 1966, toen ook het predikantschap opengesteld werd voor vrouwen, werden kerkenraden aangemoedigd ‘blijk te geven van de liefde, waarin men elkaar vasthouden wil, ook waar men meent elkaar te moeten weerspreken’. Bij de vorming van de Protestantse Kerk heeft het toenmalige moderamen de woorden uit 1958 en 1966 opnieuw onderschreven en klonk dit: ‘Wij vermanen niemand deze tegenspraak (tegen de vrouw in het ambt, red.) op te geven, wanneer hij deze doet horen vanuit de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift.’

Hoe kan prof. Barnard als hoogleraar aan de universiteit van onze kerk iets nu ‘verschrikkelijk’ vinden, waarover eerder het motief van de liefde uitgesproken werd, de liefde die geduldig is, die alle dingen verdraagt? 

Positief

In deze context verwoordt ook de Gereformeerde Bond zijn roeping positief, daar waar hij inzet op maximale inschakeling voor de zusters in het werk in de gemeente. Bij dat positieve (we doen veel meer dan ergens tégen zijn) hoort het geven van rekenschap op een wijze die gedragen wordt door liefde tot de geboden van God, door de erkenning van de wijsheid van Hem, Die de man riep tot verkondigen in het ambt, die vrouwen en mannen met vele gaven versierde om te dienen in de opbouw van Zijn kerk.

P.J. Vergunst