Huwelijksjubileum

Huwelijksjubileum
Mijn schoonmoeder wijst naar een zitje rechts van ons: ‘Laten we daar maar even gaan zitten.’ Het is donderdagmorgen. We zijn in het ziekenhuis in Amsterdam, tussen twee afspraken in moeten we een tijdje wachten.

Naast ons hoor ik iemand zachtjes zingen: ‘Halleluja, halleluja.’ Links van ons zit een vrouw, een jongen in een elektrische rolstoel zit naast haar. Ze heeft een mooie, warme stem. ‘Dat lied vind je mooi, hè?’ fluistert ze tegen de jongen. Hij tilt zijn hoofd op en lacht, zijn ogen twinkelen. De vrouw kijkt naar ons en zegt: ‘Mijn zoon Ruben houdt van zingen. Hij is geopereerd, hij heeft een sonde gekregen. We wachten op de taxi, want’ – ze buigt zich weer naar Ruben toe – ‘je wilt nu graag naar huis, hè?’ Ruben draait met zijn hoofd en lacht.

Even is het stil, dan klinkt het: ‘Zaterdag komt je pappa thuis, dan maken we er een klein feestje van, hè Ruben?’ En tegen ons: ‘Zaterdag hopen we 24 jaar getrouwd te zijn.’ Ik hoor een lichte trilling in haar stem. ‘Mijn man wordt verzorgd in een verpleeghuis. Hij heeft een zeldzame spierziekte, net als Ruben. We kwamen er pas achter toen hij veertig was. Zo lang mogelijk heb ik hem thuis verzorgd, naast Ruben. Maar het ging niet langer. Hij mag zaterdag een dagje naar huis.’ Ze slikt, veegt een traan van haar wang en zegt: ‘Maar we willen oog houden voor het mooie dat we samen nog hebben.’ 

Hieraan moet ik een paar dagen later denken, bij de begrafenis van mijn nichtje Margriet. Margriet was bijna twee jaar getrouwd. In september werd er een tumor in haar hoofd ontdekt, ze ging snel achteruit, ze zou sterven. Margriet gaf aan dat zij graag in haar trouwjurk begraven wilde worden. Ook haar begrafenistekst koos zij zelf uit: ‘Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.’

Aan het eind van haar begrafenisdienst zingen we uit Psalm 45, het bruiloftslied:

Straks leidt men haar in statie uit haar woning,

in kleding, rijk gestikt, tot hare Koning;

zo treedt zij voort met al de maagdenstoet,

die haar verzelt, U vrolijk tegemoet.

Marijke de Wit