In Gods handen

In Gods handen
Mijn man, Gerrit, kijkt zijn moeder vragend aan: ‘Zullen we ervoor bidden?’ Moeder knikt. We vouwen onze handen en buigen het hoofd. Gerrit bidt.

Het is maandagmiddag, de eerste dag van dit jaar. De grote kamer bij moeder De Wit zit vol, het is een gezellige drukte. Kinderen, kleinkinderen, ooms en tantes zijn gekomen om elkaar ‘een goed nieuwjaar’ te wensen. Moeder beweegt zich – genietend van dit moment samen - tussen het gezelschap door, ze wil zelf bedienen. Voor ieder kind maakt ze even tijd en toont ze haar belangstelling. 

Een paar uur later is de kamer leeg, alleen mijn man en ik zijn overgebleven. De koffiekopjes en gebakschoteltjes staan nog op tafel. Moeder gaat zitten, haar gezicht betrekt: ‘Nu overvalt het me zo weer.’ Ze zucht. Moeder moet denken aan het bericht dat ze vlak voor Kerst te horen kreeg van de dokter in Amsterdam: de kanker is teruggekomen. De medicijnbehandeling is meteen weer in gang gezet, de voorbereidingen voor de bestralingen zullen deze week beginnen. We praten er met elkaar over, zachtjes. We bidden.

’s Avonds zitten we in de kleine woonkamer bij onze overburen. Buurman De Jong vertelt, met zachte stem. Wij luisteren stil. ‘Onze oudste zoon Bert hadden we – samen met familie en vrienden – een ticket naar Israël gegeven voor zijn verjaardag. Hij hield van het land Israël en de Shelter in Eilat was zijn droomplek. De stem van de buurman daalt en klinkt aangedaan: ‘Onze zoon Bert is niet meer.’

Vlak voor Kerst kregen ze een telefoontje uit Israël: ‘Bert is gevallen en met spoed geopereerd aan een ernstige bloeding in zijn hoofd. Hij ligt in coma.’ De afgelopen week hebben ze samen als gezin om zijn bed gestaan. Hopend, vrezend, biddend. De buurvrouw kijkt ons aan: ‘Eerst bid je om genezing, langzaamaan verandert dat in bidden om overgave.’ 

Voor het slapengaan, kijkt mijn man me onderzoekend aan: ‘Zullen we bidden?’ De woorden uit de gelezen psalm klinken nog na in mijn hoofd: ‘U ziet het wel, want U aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geeft.’ Ik knik. 

Marijke de Wit