Mirjam

Mirjam
Susan buigt zich over haar kleurplaat en kijkt er aandachtig naar. Als ze haar hoofd opheft en met haar vinger naar de tekening wijst, bewegen de rode strikjes in haar donkere kroeshaar vrolijk heen en weer.

‘Is dat Mirjam, daar achter die boom?’ Susan kijkt me vragend aan.

 

We zitten rond een tafel, een glazen pot met stiften in het midden. Ik heb de kinderen net verteld over Mozes in het biezen mandje. Susan, Rahel, Simon en Nazaret kunnen het goed volgen, zij spreken al goed Nederlands. Voor Filemon en Samuel is het wat lastiger, zij zijn pas enkele weken geleden vanuit Eritrea in Nederland komen wonen. Zij kijken meer naar de plaatjes die ik vanuit de kinderbijbel laat zien. De namen die genoemd worden, kennen ze wel: Aäron, Mirjam, Mozes, zo heten veel vriendjes en vriendinnetjes in Eritrea ook. ‘In Eritrea, niet Mirjam, maar Mariam,’ legt Samuel mij uit, zijn donkere ogen kijken mij ernstig aan.

Susan trekt weer aan mijn arm: ‘Welke kleur heeft het gezicht van Mirjam?’ Haar hand blijft aarzelend boven een roze stift hangen. Ze kijkt naar Samuel en ziet dat hij de gezichten bruin gekleurd heeft. ‘Mirjam wou niet dat haar broertje zou verdrinken, hè?’ vervolgt ze, toch de roze stift pakkend. 

Opeens zie ik Mariam weer voor me, achterin de donkere woonkamer. Zij kwam ook uit Eritrea. We kwamen bij haar ouders op kraamvisite. Ik schatte Mariam op een jaar of dertien. Haar twee broertjes en zusje zaten tussen hun ouders op de bank en kwebbelden er vrolijk op los. Mariam zei niets en bleef achteraf zitten, een trieste blik in haar ogen. Later vertelde haar moeder ons: ‘Op de Middellandse Zee sloeg onze boot om. Mariam had haar broertje Aäron op haar rug, hij raakte in paniek en Mariam moest hem loslaten. Hij was te zwaar voor haar. Aäron is verdronken.’

Zacht zingt Susan het liedje dat we net geleerd hebben: ‘Klein, klein, kindje, dit mandje wordt een boot, daarmee moet jij gaan varen, op leven of op dood.’ En beantwoordt dan weer haar eigen vraag: ‘Nee, dat wou Mirjam niet en Jezus denk ik ook niet.’

Marijke de Wit