Opgejaagd

Opgejaagd
De jongeman voorin de boot valt stil. Hij kijkt ons aan en bekent zacht: ‘Nog bijna elke nacht heb ik last van nachtmerries. Naast mijn bed heb ik nog altijd een koffertje staan voor als ik moet vluchten, al is dat niet meer nodig.’

Het is zaterdagmorgen. Samen met een groep vrijwilligers van onze stichting ‘Ik was een vreemdeling’ zijn we een dagje in Amsterdam. We krijgen een rondvaart door de grachten onder leiding van twee vluchtelingen, Samuel en Moussa. Samuel is onze kapitein. Op mijn vraag waar hij vandaan komt, antwoordt hij lachend: <i>‘From heaven.’<p> Later horen we dat hij uit Eritrea komt. Onze gids Moussa is geboren in Egypte. Als we langs Nemo richting de grachten varen, licht Moussa toe: ‘Wij doen deze rondvaarten met boten waar vluchtelingen de Middellandse Zee mee overgestoken zijn. In een boot als deze zaten soms vijftig personen.’ Ik kijk rond en tel, wij zitten nu met z’n tienen in de boot. Echt veel ruimte is er niet meer.

We zijn verrast hoeveel Moussa weet te vertellen over de gebouwen die we passeren, al kloppen lang niet alle details. Maar gelukkig weet hij niet dat Krijn de Jong – die links naast hem zit – jarenlang rondleidingen door Amsterdam heeft verzorgd. Meer indruk maakt Moussa’s levensverhaal op ons. Hoe hij moest vluchten en steeds opgejaagd werd. Moussa kan goed vertellen, af en toe met veel bravoure en stoere taal. Maar kwetsbaar klinkt zijn stem als hij toegeeft dat hij bijna elke nacht nog last heeft van nachtmerries. We vragen wat hem houvast en hoop biedt in zijn leven. Ik schrik van zijn reactie: ‘De Moslimbroederschap en de Islam.’ 

’s Middags bezoeken we Christ Church, de achttiende-eeuwse Anglicaanse kerk aan de Groenburgwal in Amsterdam. ‘Laten we zingen,’ stelt Krijn voor. Even later galmt het – a capella, niet ritmisch – door het kerkje: ‘’t Hijgend hert, der jacht ontkomen’ (…), gevolgd door ‘O mijn ziel, wat buigt g’u neder (…), zoek in ’s Hoogsten lof uw lust (…), Hoop op God, sla ’t oog naar boven (…).’ Onder het zingen zie ik Samuel en Moussa voor me en bid.

Marijke de Wit